Oktober 1993.
Wat zegt klas W2e luid en triomfantelijk als ik ze vraag om eens wat groepen buitenlanders-in-Nederland te noemen?
“Indianen!”
“Nee”, lach ik, in de veronderstelling dat ze me in de maling nemen, “Indianen zijn er niet in Nederland.”
“Jawel meneer, Mahendra hier, die komt uit India en dat is dus een indiaan.“
Zo kon ik dat verhaal over Columbus die dacht dat hij India had ontdekt, ook weer eens kwijt.
Was dit een onschuldig grapje, over die indiaan? Mahendra zelf vond het wel aardig, hij grinnikte in elk geval. Maar ja, als je als enige Turk / Marokkaan / Kaapverdiaan / Indiër etc in een klas vol Brabantse jongens zit, is het 't makkelijkst om gewoon mee te grinniken.
In elk geval waren niet alle grapjes onschuldig of aardig bedoeld, tijdens mijn lessen over buitenlanders in Nederland. Ik kwam op het onderwerp naar aanleiding van Prinsjesdag: de voorspellingen zijn immers dat Janmaat met zijn CentrumDemocraten in mei aanstaande meer zetels zal behalen.
Een enkele leerling liet meteen weten dat ie dat een prima zaak vond. Bij de meesten bespeurde ik wel begrip voor CD-stemmers, zonder dat ze dat zelf zouden doen. Zeiden ze.
Dat begrip kwam voort uit het gevoel dat de regering er een potje van maakt, met de buitenlanders: “Ze laten iedereen maar toe, ze geven buitenlanders een huis waar Nederlanders jaren op moeten wachten.”
Wat moet je met dat soort uitspraken? Ik dacht, laat ik gewoon eens uitleggen hoe moeilijk het is om legaal in Nederland binnen te komen. Dan snappen ze gelijk dat je, voor een streng asielzoekersbeleid, niet op de CD hoeft te stemmen.
Sommigen leerlingen raken overstuur bij dit onderwerp, Marijn uit W2b kwam niet meer uit zijn woorden zo verontwaardigd was hij over wat onze regering allemaal verkwanselde aan die buitenlanders. Met een vuurrood hoofd begon hij te stotteren van emotie - precies op het moment dat de zoemer ging.
Dan blijkt altijd ook weer de betrekkelijkheid van willekeurig welk onderwerp: als de zoemer gaat valt de discussie stil en snelt de meute de klas uit.
Maar enkele jongens blijven nog even hangen, het zit ze niet lekker.
“Ach meneer, die mandarijn, u moet er niet te zwaar aan tillen. Hij zegt eigenlijk nooit veel, behalve als het hierover gaat. Het is geen kwaaie jongen hoor.”
Nee, dat weet ik wel. Marijn is geen kwaaie jongen, mandarijn of niet. Maar ik zou toch wel willen weten wat er nou achter zit, dat een goedmoedige jongen uit een Brabants dorp zo over de rooie gaat van iets wat toch eigenlijk voor hem een ver van mijn bedshow is. Hoe werkt dat?
PS
Het blijft grappig hoe makkelijk je kunt scoren, soms. Als het over Janmaat gaat zeg ik voor alle zekerheid: Hans Janmaat. Niet dat ze zijn voornaam moeten kennen, maar wat ik verwachtte, klopt: veel leerlingen denken dat het gaat om Jan Maat. En dan hebben ze echt het gevoel dat ze iets belangrijks geleerd hebben, als je dat rechtzet.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten