Door roosterperikelen die ik niet helemaal begrijp is mijn les aan E2a verplaatst naar het gebouw van de AG-opleiding, schuin tegenover onze MTS. Als ik daar binnenloop op zoek naar mijn klas, kan ik het lokaal niet vinden. Ik dwaal wat rond en als ik in de buurt kom is het ineens heel gemakkelijk: ik ga op het lawaai af. Als ik het lokaal binnenloop vliegt er een borstel mijn kant op. Op het allerlaatste moment vang ik die nonchalant op, met één hand nog wel. Heel even ben ik daar erg tevreden over, maar dan blijkt dat de borstel verzadigd is met krijtstof dat zich nu als een grijze wolk over mijn jas verspreidt. Mijn hand zit ook vol. Shit.
De klas geniet. Ik leg de borstel weg en blaas het stof van mijn hand, precies in het gezicht van de jongen op de eerste rij. Die begint te hoesten. Juist.
Langzaam komt de klas tot bedaren en ik wil met de les beginnen als Stef van de Loo ineens door de klas roept dat het benauwd is en dat er een raam open moet: "Hé, Eric, moet ur gin raom ope?"
Gealarmeerd kijkt Eric naar het raam. Het is een schuifraam en het zit potdicht, de mouw van zijn jas steekt nog net het lokaal in. Dus als het raam opengaat, valt zijn jas naar beneden (we zitten op de eerste verdieping).
Na enig geworstel (ze laten hem niet meteen door op zijn weg naar het raam) weet Eric de mouw te pakken te krijgen. Na nog enig geworstel gaat het raam open en heeft ie z'n hele jas. Na weer enig geduw en getrek zit ie weer op z'n plaats.
Ik begin met de les.
Na anderhalve zin roept Eric ineens: "M'n databank, nondeju, m'n databank, die zat in m'n jaszak."
Stef kijkt uit het raam: "Ja, dat klopt, ik zie 'm liggen."
Ik ben het nu meer dan zat, maar Stef is zo snel dat ik erdoor verrast word. Hij staat op, schuift het raam open, leunt naar buiten en rekt zich uit. Zijn bovenlichaam verdwijnt uit het gezicht. Dat vindt iedereen meer dan prachtig. Enkele maten snellen behulpzaam toe om hem verder het raam uit te duwen. Stef trapt wild om zich heen. Ik snel er heen om de maten weg te trekken en krijg een trap mee van Stef, die ook niet ziet wat hij doet (hoop ik).
De klas joelt: "Ha, hij heeft natuurlijk niet in de gaten dat er een afdak is."
Inderdaad, de databank ligt op het afdak, een halve meter onder het raam. Stef kan er net bij en komt triomfantelijk weer naar binnen.
Ik begin nog maar eens met de les.
Twee uur later kom ik op de gang een collega tegen die bezorgd informeert: "He, wat hoor ik nou, hebben ze jou buiten het raam gehouden?"
E2a had op zitten scheppen, bij hem in de les. Hij had veel huiswerk opgegeven en toen had iemand gezegd: "Zullen we hem ook eens buiten het raam houden?"
P.S.
Een gebouw voor Assistenten in de Gezondheidszorg (allemaal meisjes) moet aan heel andere eisen voldoen dan een gebouw voor Aankomende Technici. Sinds wij daar te gast zijn met onze klassen vol techneuten zie je de zwakke plekken. Het is goed dat het maar voor korte tijd is, anders zou je dat gebouw aan de straatstenen niet meer kwijt raken.
Ik had het er met het Hoofd Opleidingen AG over. Hij had een mooi eufemisme: “Ja, die van jullie gaan anders met het gebouw om, he?”
”Dat kun je wel zeggen", antwoordde ik, “Ze slopen het waar je bij staat.
zaterdag 26 februari 2011
zaterdag 19 februari 2011
11. Henk van der Stoel
Elke jaar maak ik de nieuwe opleidingsfolders, dus elk jaar corrigeer ik 102 drukproeven – maar dit jaar met tranen in mijn ogen. Niet dat er zulke ontroerende teksten in stonden (…zijn zeer gewilde krachten in het bedrijfsleven…) of dat ze dramatisch veel slechter waren dan andere jaren (…Open Dag: 25 januari 2002…), maar ik zat in de trein naar Middelburg, voor de begrafenis van Henk van der Stoel.
Henk is jarenlang een strijdmakker geweest en in een aantal methoden maatschappijleer staan onze namen (als auteurs) vlak onder elkaar. Waar streden we voor? Of tegen? Ja, daar vraagt u me wat. Voor beter onderwijs, misschien wel. Of, in elk geval, voor ons vak. Voor betere lessen maatschappijleer! Ja: daar zou Henk het mee eens geweest zijn! (“Nee Gerard, onthoud dat nou eens. Het heet geen maatschappijleer maar maatschappelijke en culturele vorming.”) – Juist. Misschien was Henk het ermee eens, maar hij was het nooit helemaal eens met wat iemand anders zei: dan gaf hij er gauw een eigen draai aan.
Dat van die vorming, dat was principieel. Dat er iets met de leerlingen gebeurde, zodat zij als volgroeide persoonlijkheden de school verlieten, dat vond hij belangrijker dan dat ze feiten leerden. En iets van die overtuiging is terug te vinden in de eindtermen Maatschappelijke en Culturele Vorming voor de techniek, want tijdenlang was ons strijdperk de landelijke Adviesgroep MCV, die voor die eindtermen heeft gezorgd.
Lange en taaie onderhandelingen waren dat, en daarbij kwamen de verschillen tussen Henk en mij soms goed van pas. Henk was een onverzettelijke, principiële Zeeuw, een echte, uit de klei getrokken protestant. A la Maarten Luther: ‘Hier sta ik, ik kan niet anders’. Terwijl ik, als Brabantse zandgrond-katholiek, veel soepeler in de leer was. De leer – hoe bedoelt u?
Daar hebben we veel om gelachen en we gebruikten het ook wel. Ik sugereerde Henk dan vóór de vergadering dat het de goede zaak zou dienen als hij over een bepaald punt eens flink van leer zou trekken. Als hij het daarmee eens was, dan deed hij dat. En gelooft u mij: als Henk van der Stoel van leer trok, dan werd de zaal stil en luisterde. Nondeju! Dat kon hij - maar hij deed het alleen als hij erachter stond.
Zijn voorstellen voor eindtermen liepen via mij, als secretaris, en ik schrapte zaken waarvan ik wist dat ze het niet zouden halen – ook al was ik het er inhoudelijk wel mee eens. Henk wist dat.
“Ach ja”, zei hij dan grijnzend, “Ik snap ook wel dat dat niet kan, maar ik vind dat nou eenmaal. En trouwens, ik dacht, dat haalt Gerard er wel weer uit.”
Een paar weken geleden zat ik bij een zogenaamde veldraadpleging over nieuwe, competentiegerichte eindtermen voor MCV. De discussie kabbelde voort en halverwege dacht ik zoiets als ‘nu zou een uitbarsting van Henk goed van pas komen’. Want de plannen waren (zijn?) om ‘persoonlijke vorming’ weg te laten – en dat zou Henk niet bevallen zijn. Ik wist op dat moment niet dat hij op sterven lag, maar heb, achteraf bezien, voor hem het strijdperk betreden met een vurig pleidooi voor persoonlijke vorming.
Maar Henk is dood en op 3 oktober 2001 hebben we hem in Middelburg begraven, en in de trein heen en in de trein terug had ik gezelschap van de drukproeven van onze opleidingsfolders. En van tijd tot tijd las ik daarin goedkeurend het zinnetje: ‘Ook maatschappelijke en culturele vorming maakt deel uit van de opleiding’.
Juist. Vorming. Dat zou Henk deugd gedaan hebben.
Henk is jarenlang een strijdmakker geweest en in een aantal methoden maatschappijleer staan onze namen (als auteurs) vlak onder elkaar. Waar streden we voor? Of tegen? Ja, daar vraagt u me wat. Voor beter onderwijs, misschien wel. Of, in elk geval, voor ons vak. Voor betere lessen maatschappijleer! Ja: daar zou Henk het mee eens geweest zijn! (“Nee Gerard, onthoud dat nou eens. Het heet geen maatschappijleer maar maatschappelijke en culturele vorming.”) – Juist. Misschien was Henk het ermee eens, maar hij was het nooit helemaal eens met wat iemand anders zei: dan gaf hij er gauw een eigen draai aan.
Dat van die vorming, dat was principieel. Dat er iets met de leerlingen gebeurde, zodat zij als volgroeide persoonlijkheden de school verlieten, dat vond hij belangrijker dan dat ze feiten leerden. En iets van die overtuiging is terug te vinden in de eindtermen Maatschappelijke en Culturele Vorming voor de techniek, want tijdenlang was ons strijdperk de landelijke Adviesgroep MCV, die voor die eindtermen heeft gezorgd.
Lange en taaie onderhandelingen waren dat, en daarbij kwamen de verschillen tussen Henk en mij soms goed van pas. Henk was een onverzettelijke, principiële Zeeuw, een echte, uit de klei getrokken protestant. A la Maarten Luther: ‘Hier sta ik, ik kan niet anders’. Terwijl ik, als Brabantse zandgrond-katholiek, veel soepeler in de leer was. De leer – hoe bedoelt u?
Daar hebben we veel om gelachen en we gebruikten het ook wel. Ik sugereerde Henk dan vóór de vergadering dat het de goede zaak zou dienen als hij over een bepaald punt eens flink van leer zou trekken. Als hij het daarmee eens was, dan deed hij dat. En gelooft u mij: als Henk van der Stoel van leer trok, dan werd de zaal stil en luisterde. Nondeju! Dat kon hij - maar hij deed het alleen als hij erachter stond.
Zijn voorstellen voor eindtermen liepen via mij, als secretaris, en ik schrapte zaken waarvan ik wist dat ze het niet zouden halen – ook al was ik het er inhoudelijk wel mee eens. Henk wist dat.
“Ach ja”, zei hij dan grijnzend, “Ik snap ook wel dat dat niet kan, maar ik vind dat nou eenmaal. En trouwens, ik dacht, dat haalt Gerard er wel weer uit.”
Een paar weken geleden zat ik bij een zogenaamde veldraadpleging over nieuwe, competentiegerichte eindtermen voor MCV. De discussie kabbelde voort en halverwege dacht ik zoiets als ‘nu zou een uitbarsting van Henk goed van pas komen’. Want de plannen waren (zijn?) om ‘persoonlijke vorming’ weg te laten – en dat zou Henk niet bevallen zijn. Ik wist op dat moment niet dat hij op sterven lag, maar heb, achteraf bezien, voor hem het strijdperk betreden met een vurig pleidooi voor persoonlijke vorming.
Maar Henk is dood en op 3 oktober 2001 hebben we hem in Middelburg begraven, en in de trein heen en in de trein terug had ik gezelschap van de drukproeven van onze opleidingsfolders. En van tijd tot tijd las ik daarin goedkeurend het zinnetje: ‘Ook maatschappelijke en culturele vorming maakt deel uit van de opleiding’.
Juist. Vorming. Dat zou Henk deugd gedaan hebben.
zaterdag 12 februari 2011
10. Gezeur over politiek (1996)
Misschien denkt u door deze stukjes dat mijn dagelijks leven voor de klas één en al pret is: lachen, gieren, brullen en knipogen. Dat zei een collega tegen me: “Volgens mij gaat het bij jou vanzelf, voor de klas.”
Dat is niet zo, in sommige klassen is het echt ploeteren. Zo heb ik al een tijdje ruzie met een bouwklas. Daar zitten een paar schreeuwers in die op een gegeven ogenblik stemming gemaakt hebben tegen mij en mijn vak – en nu is er geen land meer mee te bezeilen. Ze zijn het erover eens dat ze mij niet moeten, en mijn vak ook niet, en dat ik maar beter op mijn tellen kan passen.
Ik pas dus op mijn tellen, dat wil zeggen, ik houd ze goed in de gaten want als ik verslap komt er stront. Door die houding verstrakt de sfeer nog meer, zodat ik het de jongens eigenlijk niet meer kwalijk kan nemen dat ze er geen zin meer in hebben. Ik heb er ook geen zin meer in.
Is dat erg, zo’n klas?
Nou, erg. Het is vervelend, voor hen en voor mij. Als al mijn lessen zo gingen, stopte ik met lesgeven voor het lesgeven met mij stopte. Dat is dus gelukkig niet zo, maar er zit elk jaar wel een klas tussen met wie het niet lukt. Zo bijzonder is het dus niet, maar wat me in dit geval trof, was de strekking van het verwijt dat ze me maakten.
Als je maatschappijleer geeft aan een technische school heb je van tijd tot tijd een dikke huid nodig. Toen ik ermee begon, in 1981, was er voor maatschappijleer een algemeen programma. U kent dat wel: politiek, criminaliteit, oorlog en vrede (de jongens vonden vooral de techniek achter de kruisraketten interessant), discriminatie, etc. Af en toe kwam er uit de klassen protest: Dit is toch een technische school? Wat moet ik dan met dat gezeur over politiek?
De eindtermen die vervolgens werden vastgesteld leken wel een reactie op die opmerkingen. Ze schiepen de mogelijkheid om meer techniek in de lesstof te stoppen via het onderwerp 'Technologie en samenleving'. Ik heb die mogelijkheid dankbaar aangegrepen en dat onderwerp prominent op het programma gezet.
Wat was nu het verwijt dat die bouwklas mij maakte (en waarmee de ruzie begon)?
Zeg, dit is toch maatschappijleer? Waarom krijgen we dan niks over politiek? Straks moeten we stemmen en dan weten we niet eens op welke partij.
Tja, wat is wijsheid? Ik was ad rem genoeg om te antwoorden dat, als ik ook nog politiek moest behandelen, ik een lesuur méér wilde, op het rooster. That shut them up, zo te zeggen, maar een fatsoenlijk antwoord is het natuurlijk niet.
Meer gezeur over politiek dan maar?
Dat is niet zo, in sommige klassen is het echt ploeteren. Zo heb ik al een tijdje ruzie met een bouwklas. Daar zitten een paar schreeuwers in die op een gegeven ogenblik stemming gemaakt hebben tegen mij en mijn vak – en nu is er geen land meer mee te bezeilen. Ze zijn het erover eens dat ze mij niet moeten, en mijn vak ook niet, en dat ik maar beter op mijn tellen kan passen.
Ik pas dus op mijn tellen, dat wil zeggen, ik houd ze goed in de gaten want als ik verslap komt er stront. Door die houding verstrakt de sfeer nog meer, zodat ik het de jongens eigenlijk niet meer kwalijk kan nemen dat ze er geen zin meer in hebben. Ik heb er ook geen zin meer in.
Is dat erg, zo’n klas?
Nou, erg. Het is vervelend, voor hen en voor mij. Als al mijn lessen zo gingen, stopte ik met lesgeven voor het lesgeven met mij stopte. Dat is dus gelukkig niet zo, maar er zit elk jaar wel een klas tussen met wie het niet lukt. Zo bijzonder is het dus niet, maar wat me in dit geval trof, was de strekking van het verwijt dat ze me maakten.
Als je maatschappijleer geeft aan een technische school heb je van tijd tot tijd een dikke huid nodig. Toen ik ermee begon, in 1981, was er voor maatschappijleer een algemeen programma. U kent dat wel: politiek, criminaliteit, oorlog en vrede (de jongens vonden vooral de techniek achter de kruisraketten interessant), discriminatie, etc. Af en toe kwam er uit de klassen protest: Dit is toch een technische school? Wat moet ik dan met dat gezeur over politiek?
De eindtermen die vervolgens werden vastgesteld leken wel een reactie op die opmerkingen. Ze schiepen de mogelijkheid om meer techniek in de lesstof te stoppen via het onderwerp 'Technologie en samenleving'. Ik heb die mogelijkheid dankbaar aangegrepen en dat onderwerp prominent op het programma gezet.
Wat was nu het verwijt dat die bouwklas mij maakte (en waarmee de ruzie begon)?
Zeg, dit is toch maatschappijleer? Waarom krijgen we dan niks over politiek? Straks moeten we stemmen en dan weten we niet eens op welke partij.
Tja, wat is wijsheid? Ik was ad rem genoeg om te antwoorden dat, als ik ook nog politiek moest behandelen, ik een lesuur méér wilde, op het rooster. That shut them up, zo te zeggen, maar een fatsoenlijk antwoord is het natuurlijk niet.
Meer gezeur over politiek dan maar?
zaterdag 5 februari 2011
9. Hullie
Hullie (1993)
Neem studenten hun illusies niet af! Ook niet door de zuivere waarheid en niets dan de waarheid. Een voor veel leerlingen moeilijk verteerbare waarheid is de uitspraak: “Het gebruik van alle soorten drugs is in Nederland bij wet verboden.”
Deze zin in ons schoolreglement dient als inleiding bij een verbod op het gebruik van en de handel in drugs op school, en leidt onveranderlijk tot felle discussies. Klassen vol zijn er heilig van overtuigd dat het roken van hasj en nederwiet en whatever in Nederland bij wet is toegestaan. (Het zou me niks verbazen als een flink aantal collega’s dezelfde mening is toegedaan. In elk geval denkt de hele wereld buiten Nederland dat dat zo is.)
Maar het is niet zo. Het gebruik van hasj etc is bij wet verboden, evenals de handel, hoe klein de hoeveelheid ook is.
Deze mededelingen zorgen voor ontsteltenis. Maar meneer, hoe kan dan dit en hoe kan dan dat? En dan gaat het gesprek verder over een typisch Nederlandse modaliteit als ‘gedogen’.
Het vermakelijkst zijn deze discussies als er enkele leerlingen zijn die op de vorige school tijdens de lessen maatschappijleer goed hebben opgelet en weten hoe het zit. Die houden dan vol dat het inderdaad verboden is. Zij worden door de overgrote meerderheid van de klas bespot en weggehoond.
Enkelen uit die meerderheid, tot wanhoop gedreven door dat koppige, schijnbaar zinloze vasthouden van een belachelijke positie van de minderheid, roepen dan mijn hulp in:
“Meneer, zegt u nou eens hoe het zit.”
Met een malicieuze grijns geef ik de minderheid gelijk.
Bouzid (als ik op verzoek van de klas het concept ‘gedogen’ heb uitgelegd en hij dus moet aannemen dat softdrugs wel degelijk verboden zijn, in het tolerante Nederland - wat enkele van zijn maten in de klas dus ook al beweerden):
“Dus hun hebben gelijk?”
“Ja Bouzid”, zeg ik, leraar tot de dood er op volgt: “Zij. Zij hebben gelijk.”
“Ja”, antwoordt hij, zichtbaar geïrriteerd door dat feit dat zij gelijk hebben en mijn grammaticale terechtwijzing daarbovenop: “Hullie.”
Neem studenten hun illusies niet af! Ook niet door de zuivere waarheid en niets dan de waarheid. Een voor veel leerlingen moeilijk verteerbare waarheid is de uitspraak: “Het gebruik van alle soorten drugs is in Nederland bij wet verboden.”
Deze zin in ons schoolreglement dient als inleiding bij een verbod op het gebruik van en de handel in drugs op school, en leidt onveranderlijk tot felle discussies. Klassen vol zijn er heilig van overtuigd dat het roken van hasj en nederwiet en whatever in Nederland bij wet is toegestaan. (Het zou me niks verbazen als een flink aantal collega’s dezelfde mening is toegedaan. In elk geval denkt de hele wereld buiten Nederland dat dat zo is.)
Maar het is niet zo. Het gebruik van hasj etc is bij wet verboden, evenals de handel, hoe klein de hoeveelheid ook is.
Deze mededelingen zorgen voor ontsteltenis. Maar meneer, hoe kan dan dit en hoe kan dan dat? En dan gaat het gesprek verder over een typisch Nederlandse modaliteit als ‘gedogen’.
Het vermakelijkst zijn deze discussies als er enkele leerlingen zijn die op de vorige school tijdens de lessen maatschappijleer goed hebben opgelet en weten hoe het zit. Die houden dan vol dat het inderdaad verboden is. Zij worden door de overgrote meerderheid van de klas bespot en weggehoond.
Enkelen uit die meerderheid, tot wanhoop gedreven door dat koppige, schijnbaar zinloze vasthouden van een belachelijke positie van de minderheid, roepen dan mijn hulp in:
“Meneer, zegt u nou eens hoe het zit.”
Met een malicieuze grijns geef ik de minderheid gelijk.
Bouzid (als ik op verzoek van de klas het concept ‘gedogen’ heb uitgelegd en hij dus moet aannemen dat softdrugs wel degelijk verboden zijn, in het tolerante Nederland - wat enkele van zijn maten in de klas dus ook al beweerden):
“Dus hun hebben gelijk?”
“Ja Bouzid”, zeg ik, leraar tot de dood er op volgt: “Zij. Zij hebben gelijk.”
“Ja”, antwoordt hij, zichtbaar geïrriteerd door dat feit dat zij gelijk hebben en mijn grammaticale terechtwijzing daarbovenop: “Hullie.”
Abonneren op:
Posts (Atom)