zaterdag 24 september 2011

29. Geen Nederlands

Van tijd tot tijd geef ik de leerlingen stof op om te leren en daar krijgen ze dan een proefwerk over. In mijn eerste onderwijsjaren streepte ik in de antwoorden van de leerlingen ook de spel- en grammaticafouten aan. Ik rekende dat niet mee (er zijn grenzen), maar, dacht ik, je kunt ze toch niet gewoon laten staan!

Dat vonden de leerlingen flauw. "He meneer, het is toch geen Nederlands."
"Nee", was steevast mijn antwoord, "Dat klopt. Daarom streep ik het aan: 'gebiet' met een 't' is geen Nederlands."
Ook flauw maar je moet wat.

Inmiddels ben ik ermee opgehouden want er is geen beginnen aan. Niet dat het nu zo hopeloos slecht is want eigenlijk valt het best mee, maar bepaalde fouten zijn zo hardnekkig, die krijg je er gewoon niet uit. Dus: laat maar. Het is geen Nederlands, tenslotte.
Maar evengoed kun je je ogen er niet voor sluiten want je moet die proefwerken nu eenmaal lezen. En de laatste jaren valt het me op, dat er nieuwe fouten opduiken, hele typische fouten die door veel leerlingen gemaakt worden.

Héél vroeger was 'oktober' een moeilijke maand, want dat moest met een 'c'. Lang geleden is dat veranderd en 'oktober' wordt al weer tientallen jaren met een 'k' geschreven. Zo niet door een toenemend aantal MTS'ers. Steeds meer leerlingen schrijven oktober met een 'c'. october. En 'vakantie', ook zo'n geval. Dat schrijf je al jaren met een 'k' en toch tref ik het in steeds meer proefwerken met een 'c' aan: vacantie.

Als je er iets van zegt, geloven ze je niet eens altijd, heb ik gemerkt. Tja, het zal wel aan hun woordbeeld liggen. Ze krijgen zo vaak 'october' onder ogen, en 'vacation', dat het zich verkeerd vastzet, in die trage, grijze massa tussen hun oren. En als het er eenmaal verkeerd in zit, is er geen beginnen meer aan.
Maar we houden vol; tenslotte worden we ervoor betaald. En het argument: "Het is toch geen Nederlands, meneer" , beantwoord ik nu met: "Nee, dat klopt, het is Engels." Maar ook dat spreekt de leerlingen niet aan.

Herinneringen aan lessen maatschappijleer aan de RKMTS in tilburg. Deze is van 1995.

zondag 18 september 2011

28. Het sperma van Pino

"Hé meneer, hoe heet het sperma van Pino7"
Rob roept de vraag hard door de les en onderbreekt zo mijn betoog over de doodstraf, maar dat is niets nieuws want dat doet hij altijd. Rob is een beweeglijk manneke, om het vriendelijk te zeggen. Zelf zei hij het zo, toen ik hem eens mijn excuses maakte omdat ik hem had uitgescholden:
"Ach meneer, dat geeft niks hoor. Ik zou zelf hartstikke gek worden als ik les moest geven aan zo'n mafkees als ik."
Toch is Rob geen mafkees. Hij heeft adhd en hij moet dus eigenlijk ritalin slikken, maar dat doet hij niet graag want dat is niet gezond.

"Hé meneer, hoe heet het sperma van Pino7"
De vraag overvalt me en de andere monteurs weten ook even geen antwoord, dus er valt een mooie stilte waar Rob zenuwachtig van wordt. Hij kijkt indringend rond. "Nou, nou", dringt hij aan. “Hoe heet het sperma van Pino7"
“Ja, dat weet ik niet", mompelt een van de jongens die hij aankijkt.

Dit is de laatste les aan de monteurs, maar op een andere manier dan andere jaren. Dit is mijn laatste les ever. Ik word stafmedewerker communicatie - nooit meer lesgeven dus! Help! Wil ik dat wel? Lesgeven is schitterend werk en 'leraar' is ook een mooie titel, heb ik altijd gevonden. Wat doe je? Ik ben leraar. Heb ik altijd met trots geantwoord. Een eretitel, toch? En goed betaald bovendien. Maar ik kreeg een briefje van PZ dat ik 25 jaar in het onderwijs zit en dat is toch wel een goede reden om te stoppen, vind ik. En dus zeg ik enigszins weemoedig mijn klassen vaarwel, in het besef dat de eerstejaars monteurs volgend schooljaar een andere mcv-docent krijgen en dat ze daar ook weer plezier mee hebben.

"Hé meneer, hoe heet het sperma van Pino7"
En dwars door de mooie stilte geeft Rob zelf het antwoord: "Maanzaad!"
De stilte blijft hangen: wij snappen het niet. En Rob krijgt een rooie kop en stottert opeens:
"Oh nee, sesamzaad!"

De hele kals schudt van het lachen, dit is te leuk voor woorden. Rob lacht een beetje melig mee. Als de klas bedaard is roept hij hard: “He meneer, wanneer ...."

Jammer, nooit meer monteurshumor.

Gerard Sanberg

In het kader van 'het oude beroepsonderwijs' haal ik hier herinneringen op aan mijn lesen maatschappijleer op de RKMTS in Tilburg.
Deze dateert van wat later, 2000.

zondag 26 juni 2011

27. Onder de klep

De wet van behoud van ellende: deze kwestie speelde in 1997 al enige jaren -en deze week heb ik een schoolgids gemaakt waarin opnieuw het verbod op petjes in de les staat, compleet met sancties.

En petjes vormen een heikel onderwerp, in de docentenkamer. Mogen ze op, op school? Van mij wel. Persoonlijke vrijheid is me dierbaar, want ik herinner me nog levendig dat de rector van de HBS dreigde mij van school te sturen als ik niet naar de kapper ging.
Ik ben wél tegen petjes in de klas. Het is ongemanierd: niet netjes en geen gezicht. Dat laatste trouwens ook letterlijk: je ziet het gezicht van je leerling niet, onder die klep. Dat is mijn grootste bezwaar, maar ja: het zijn allemaal mijn bezwaren. Ik breng ze regelmatig naar voren, maar als een leerling volhardt, als hij volhoudt dat het hem allemaal niets doet en dat hij zich niet wenst te voegen naar mijn smaak - zo zij het.
Die petjes, trouwens, zijn voor sommige leerlingen echt belangrijk. Ik heb er één in de klas die ze bestelt, van ver weg, omdat de petjes waar het hem om gaat 'in dit achterlijke gat niet te krijgen zijn'. Hij betaalt er tientallen guldens voor, maar dat heeft hij er graag voor over - als het maar de pet is die hij wilde hebben. Laatst had-ie een petje op waar de rafels bij hingen, van de klep af.
"Kees", zei ik, "Wat zie je eruit. De rafels hangen aan je pet.”
"Ja”, antwoordde hij gevleid, "Ik heb een nieuwe in bestelling maar die is er nog niet, dus het moet zo maar even."
Een klasgenoot die hem dat hoorde zeggen, rukte onder het uitroepen van "Wat een vies rafelig petje, weg ermee", de pet van Kees zijn hoofd.
Ach heden! Ontreddering en verlegenheid stonden op Kees' zijn gezicht te lezen.
"Verrek Kees", zei ik, alles nog een graadje erger makend, "Nou heb ik je al zes maanden in de klas en dit is de eerste keer dat ik je haren zie. Leuk hoor."
Ja, dat was natuurlijk gemeen want de klas lag dubbel van het lachen. Kees bloosde tot achter zijn oren en ging met een wilde kreet achter zijn gerafelde pet aan.
Twee weken geleden is het nieuwe exemplaar gearriveerd, en ik moet zeggen (ik heb dat ook gezegd): het is er eentje zoals ik nog nooit gezien heb. Het geeft een eigenaardig effect, want recht boven de klep, op het front, staat een gezicht afgebeeld. Daarmee ondervangt Kees mijn voornaamste bezwaar. Als ik nu tegen hem zeg, laat je gezicht eens zien, hoeft hij maar op zijn pet te wijzen. En dat doet hij ook.

Herinneringen aan de MTS in Tilburg. Deze dateert uit 1997

zaterdag 18 juni 2011

26. Plint Eastwood

Het is de laatste les voor het examen en er moet nog een heleboel vervelende stof doorheen. Dat is dus een probleem - voor mij, welteverstaan, want de monteurs weten dat ik een probleem heb als er veel onvoldoendes vallen voor maatschappijleer. Dus ik doe mijn best om de stof begrijpelijk en boeiend uit te leggen en spoor hen aan hun opdrachten te maken en in te leveren en straks de stof 'te kennen'. Ach, het is mijn werk en vol goede moed houd ik een betoog over de CAO en wat het betekent als die 'algemeen verbindend' wordt verklaard. De monteurs luisteren (af en toe), maken aantekeningen (idem), stellen vragen, gapen (frequent), hangen in hun stoelen, frommelen in hun papieren, krabben zich achter de oren, spelen met pennen, gummen, potloden, pennenzakjes, combinatietangen en papiersnippers. Ook boeren ze van tijd tot tijd, en opeens heeft er eentje geruft. Hilariteit. Boosdoener Remco zit op de achterste bank, zijn maten vluchten naar voren. Ik drijf ze terug - en deins verschrikt achteruit als ik in de buurt van Remco kom en verontrustende putlucht gewaarword.
"Wie is de minister van sociale zaken?", vraag ik, om het maar weer eens ergens anders over te hebben. Ik krijg geen antwoord maar een tegenvraag:
"He meneer, het zit onder tegen de muur en het kan goed schieten?
- Plint Eastwood", antwoordt hij zelf triomfantelijk.
De groep reageert lauw, maar ik schiet voluit in de lach. De monteurs kijken verbaasd. Zo leuk was het nou ook weer niet want het ging niet over seks of scheten of boeren. Of drank.
Ik hervat mijn betoog maar het hek is van de dam. Als ik dat zo leuk vind, weten zij er nog wel meer.
"Het is lang en dun en kan goed schieten?", reageert Ruud. "Lint Eastwood!"
Ja, dat is ook leuk. En de anderen pijnigen hun hersens. In gedreven samenspel komen we tot het volgende rijtje:
Het geeft cadeautjes en het kan goed schieten? Sint Eastwood
Is een bloem en ... - Hyacint Eastwood
Knarst en ... - Grint eastwood
Is ingewikkeld en ... - Labyrint Eastwood (He, van de monteurs!)
Waait en ... - Wind Eastwood. Nee, Remco Eastwood.
Is drinkbaar en ... - Pint Eastwood.
Is snel en ... - Sprint Eastwood
Ziet niks en . .. - Blind Eastwood
Ruikt lekker en ... - Mint Eastwood
Drukt af en ... - Print Eastwood
Wijst aan en ... - Hint Eastwood
Is een aardappel en ... - Bint Eastwood
Is kwijt en ... - Vind Eastwood
Jong en ... - Kind Eastwood
Ik bedenk ook nog, als laatste voor de pauze:
Het is oud en kan goed schieten?
Daar komen ze niet op. Clint Eastwood natuurlijk!

Dan is het pauze. Daarna een video. Helaas heb ik geen western met meneer Eastwood bij me.

zondag 12 juni 2011

25. Het begint met een ‘v ‘ en het eindigt op ‘agina’

“Meneer, wat begint met een ‘v’ en eindigt op ‘agina’?”
De jongen die die vraag stelt zit op de eerste bank en kijkt me verwachtingsvol aan. Ik volg hem even niet want hij stelt de vraag terwijl ik middenin een vurig betoog ben over Pim Fortuyn. De klas luisterde geboeid – nou ja, in elk geval waren ze allemaal stil – en dan ineens zo'n vraag.
“Voorpagina”, geeft hij zelf triomfantelijk het antwoord. “Ha! U dacht iets anders hé?”
Ik dacht dat hij naar mijn betoog luisterde en misschien was dat ook wel zo, maar opeens kwam deze gedachte langs en het is onder monteurs niet de gewoonte om een aardige joke, een gevatte opmerking of een platte mop voor je te houden, alleen maar omdat er iemand anders aan het woord is. Niks uitstel of wachten op het goede moment. Dit is het goede moment: nu.
Toen ik pas les gaf aan monteurs dacht ik dat het sabotage was en werd ik boos. Daarvan waren ze niet onder de indruk, maar vooral: ze begrepen het niet.
Wat was er aan de hand?
Ha, u weet het, want u bent een professional met vakdidactische en pedagogische scholing. Ja, juist: spanningsboog! Ze kunnen gewoon niet lang geconcentreerd luisteren. Hoe spannender het verhaal is hoe korter, denk ik weleens, want de spanning moet eruit. Hup, een grap, een scheet, een boer, een opmerking. Hoeft niet te gaan over het onderwerp van de les, liever niet zelfs, een volkomen andere associatie even er tussendoor. De hele klas lacht, niet omdat het nou zo’n leuke grap is maar vanwege de spanning die eruit moet. Ha! Voorpagina! Leuk!
Ik lach ook. Er komt nog een grap achteraan, ergens achter uit de klas:
“Ik dacht ook iets anders!”
“Oh ja, wat dan?”
”Ja, kut.”
“Kut? Dat begint toch niet met een v.”
Daar lach ik ook om, maar ondertussen loer ik op een kans om terug te komen op Fortuyn Dat lukt, want dan zegt een ander: “Ha, Pimmetje moet daar allemaal niks van hebben.” En dan gaat de les gewoon verder want een aantal blijkt niet te weten dat Fortuyn van de herenliefde is.
Als je maatschappijleer geeft is Fortuyn een geschenk uit de hemel, werkelijk waar. Werd ik vroeger geconfronteerd met een collectieve walging als ik aankondigde dat we het over ‘polletiek’ gingen hebben, de afgelopen weken riepen ze bij binnenkomen al om uitleg over Fortuyn, en waren ze de koning te rijk toen ik die wel wilde geven.
Dat was makkelijk scoren.
Dat is een deel van de verklaring voor de populariteit van Fortuyn: hij surft op de afkeer van ‘polletiek’ bij veel mensen. Vooral omdat er niets opgelost wordt, zo blijkt in de klas.
“Ze lossen niks op!”
Jongens, zeg ik, dat is niet waar. Wel! Niet!
Ha, lesgeven is best leuk. De verontwaardiging stijgt ten top als ik zeg dat ik niets begrijp van het schijnbaar acute crisisbewustzijn bij veel mensen, omdat het nog nooit in de geschiedenis van Nederland zo goed gegaan is in dit land en het echte probleem van de ‘polletiek’ is dat er in Nederland geen echte problemen meer zijn - volgens mij dan.
De klas slooft zich uit om mij alle problemen die zij maar ooit ergens gehoord hebben, voor de voeten te gooien. Het is een geëngageerde drukte van jewelste, totdat degene die met de auto is en in de middagpauze altijd naar de friettent rijdt, ineens iets anders bedenkt:
“Wat moeten jullie direct van de fritestent?”
Want zo gaat dat, en ik laat niet na hen erop te wijzen (terwijl ze bestellingen opsommen): ze verdienen 600 euro schoon in de maand terwijl ze 3 dagen per week werken, het bedrijf betaalt hun opleiding en ze wonen bij hun ouders. Dus krijgen ze boterhammen mee om weg te gooien en kopen ze collectief frites, tussen de middag. Dat gaan ze in de auto halen en terwijl ze onderweg zijn geven de achterblijvers nog bestellingen door via de mobieltjes.
”He meneer, Johnny heeft een nieuw mobieltje, hebt u die al gezien?”
Bewijst dat mijn gelijk dat het goed gaat? Welnee. Doe mij maar een frikandel speciaal dan.

2002

zondag 29 mei 2011

24. Overleven zonder friet

Ik weet niet hoe uw schooljaar begon, maar ik moest met twee klassen eerstejaars procestechniek op overlevingskamp in de Ardennen. Daar leer je een hoop van, van zo'n barre tocht. Zo weet ik nu dat mijn leerlingen zich hoofdzakelijk in leven houden met frites en frikadellen. En omdat ze die niet kregen, bleven ze erom roepen ("Meneheer, mogen wij nu naar het dorp naar een fritestent?").
Omdat het eten primitief was (je moest roosteren op zelfgemaakte kampvuur) en wc’s afwezig (je moest hurken op een eenzaam plekje in het bos), gingen de gesprekken al snel alleen nog maar over hoe aan fatsoenlijk eten ( = frites) te komen, en hoe van de verteerde resten af te geraken (is hier een wc?).
Toen ik mijn groep de tweede dag vertelde dat op de plek van de volgende overnachting een wc was, verdubbelden de leerlingen het tempo ("Voor die plee staat een rij van anderhalf uur als we er niet als eerste zijn”)
Groot was hun ontsteltenis toen er weliswaar een toilet was, maar naar klassiek Frans ontwerp:
"Maar meneer, daar moet je staande op schijten!”
"Nee, doe niet zo dom", antwoordde ik geduldig. "Je moet hurken."
Ze keken me aan alsof ik ontoerekeningsvatbaar was.
Zelf miste ik de koffie het meest, na één dag zonder.

Omdat het goed weer was bleek slapen onder de blote hemel een fluitje van een cent. We spanden een touwtje tussen twee bomen, gooiden daar een lap plastic overheen en legden onze slaapzak er onder. Het viel niet mee om je erin te wurmen, in het stikkedonker, maar als je eenmaal lag en je had je slaapzak goed dichtgetrokken, sliep je heerlijk.

Wat leer je nog meer?
"Dat wij eigenlijk veel te luuks leven" vond mijn collega, maar daar was ik het niet mee eens. Hoe langer het duurde, hoe meer ik al die luxe thuis op prijs begon te stellen. Tafels en stoelen, gloeilampen, zachte bedden, wastafels, ligbaden: ik heb er zeer naar verlangd. Dat lopen dat we deden (en waar de leerlingen zo over klaagden "Tjezus, meneer, vijftien kilometer! Met rugzak? Dat meent u niet!") dat stelde niet zo veel voor. Daar werd je gewoon lekker moe van zodat je goed sliep. Maar dat je na die 15 kilometer lopen niet lekker op een terras kon gaan zitten, dat je daarentegen een onderkomen moest gaan maken en hout moest verzamelen, dat je eten moest roosteren, staande moest eten, de rommel opruimen, gehurkt en in het donker 'ter wc' gaan, dat je jezelf niet kon wassen en in het donker in een koude slaapzak moest kruipen – dat hakte er in. Dat was afzien, en dan heeft het nog niet eens geregend.
Het vermakelijkste moment? Aan het einde, toen we het dorp naderden waar we de hele dag al naartoe gesjokt hadden en de eerste leerlingen de bebouwing in het oog kregen: een groot pand met het opschrift: ‘friterie’. Ze begonnen zowaar te rennen, ondanks rugzakken en moede voeten. Eindelijk! Beschaving! Frites!

Gerard sanberg
(in het kader van Het Oude Beroepsonderwijs herinneringen aan de RK MTS in Tilburg. Dit verhaal dateert van 1992)

maandag 23 mei 2011

23. Vechten in de les

Ik sta ruim 20 jaar voor de klas - hoeveel leerlingen heb ik er in de loop van de tijd uitgestuurd? Vingers van één hand? Nee, meer. Maar niet veel meer. Ik heb er een hekel aan leerlingen de les uit te sturen, maar soms kan het niet anders.
Zes weken geleden heb ik een leerling er voor de tweede keer uitgestuurd – dat is wel degelijk een record. Maar ik heb er geen spijt van want het was een openbaring om Bart aan te horen in zijn verdediging. Het verschil met toen ik hem er voor de eerste keer uitstuurde had niet groter kunnen zijn, maar dat is dan ook meer dan een jaar geleden.
Iedereen (ouders, onderwijzers, maatschappelijk werkers, schoolbegeleidingsdienst, hulpverlening, decaan, mentor, coördinator mentoraat) was het er al jaren over eens dat Bart een moeilijke leerling was, eigenlijk nauwelijks te handhaven in gewoon, klassikaal onderwijs. En bij een vak als maatschappijleer, waar hij geen enkele interesse in had, was dat allemaal nog een graadje erger.
Het zat er dus al tijden aan te komen maar het gesprek na de les, in tegenwoordigheid van de werkmeester (we praten over de monteurs van GTI die les krijgen op de bedrijfsschool in Oisterwijk), schoot niet op. Het was duidelijk dat Bart veel van deze gesprekken had meegemaakt, en dat wij hem niets nieuws te melden hadden. Blablabla grenzen blablabla kansen krijgen blablabla les verstoren blablabla ook voor andere leerlingen blabla. Blabla blabla blabla.
Bart hing slungelig tegen een bureau, was met moeite te bewegen zijn petje af te zetten, wilde me niet aankijken, mompelde en gromde wat, was nauwelijks te verstaan en dat interesseerde hem ook niks. Qua lichaamstaal was de boodschap duidelijk: ik heb hier geen boodschap aan.
In de les verminderde de overlast daarna slechts marginaal, het bleef tobben, het hele schooljaar lang, maar ja, je wordt ervoor betaald.
Het tweede jaar, dit schooljaar dus, verschilde niet waarneembaar van het eerste, dus drie weken geleden moest hij er opnieuw uit: ik zag hem aan de stoelpoot van een medeleerling trekken, met de bedoeling hem om te kieperen. Het mislukte, maar ik was echt kwaad en stuurde hem weg. Daarop volgde een moeizaam proces van tergend langzaam overeind komen, rugzak inpakken, dreigen die weer uit te pakken, totdat ik de rugzak van zijn tafel pakte en door de open deur over een afstand van een meter of vijf, zes de gang op smeet. Dat maakte indruk – weg was hij.
Maar het gesprek na de les was een openbaring – die enkele weken later paradoxaal genoeg werd bevestigd door een vechtpartij in de les.
Tijdens het gesprek zat Bart alert in zijn stoel. Hij lette goed op wat ik te berde bracht en zette daar zijn eigen argumenten tegenover. Hij deed dus precies wat ik hem wilde leren: luisteren, verwerken, tegenargumenten bedenken en die op de juiste ogenblikken uiten. Nadenken en redeneren. Prachtig. Alleen was hij het niet met me eens (“Ik snap wel dat dat in uw ogen een grens overschrijden was, wat ik deed, maar mijn grens ligt dus gewoon een eindje verder.”), dat was nou wel weer jammer. Maar inwendig zat ik hem te bewonderen: hij was groot geworden. Hij keek me rustig aan, wachtte tot ik uitgepraat was (dat alleen al!) en bracht vervolgens gewoon zijn eigen visie op de zaak naar voren. In niet eens zo erg platte volzinnen.
En die vechtpartij dan? Dat ging zo. Het was een paar weken na de indrukwekkende demonstratie van volwassen worden en de les liep als een trein, echt waar. We waren al twee uur bezig (denk erom, deze sessies duren drie klokuren) toen ineens Bart zich omdraaide en zijn achterbuurman te lijf ging.
Ik had het niet aan zien komen maar was er snel genoeg bij om te voorkomen dat ze echt slaags raakten. Bart deed drie dingen: hij draaide zich om en duwde de tafel achter hem hard weg zodat zijn achterbuurman die in zijn maag kreeg. Vervolgens graaide hij diens rekenmachientje van tafel en gooide dat naar zijn hoofd. Mis. Met zijn andere hand greep hij de multomap en gooide opnieuw. Raak. Midden in zijn gezicht.
Hij wilde overeind komen om erop te slaan maar op dat moment was ik erbij en drukte hem bij zijn schouders omlaag in zijn stoel. Ik voelde de woede door zijn trui heen. De achterbuurman bloedde behoorlijk uit een wond vlak naast zijn neus, waar de scherpe kant van de multomap hem had geraakt. Hij keek verlegen weg. Bart liet zich door mij tegenhouden, besefte wat ie gedaan had en kreeg een vuurrode kop. Hij stotterde van woede, hij moest bijna janken zo kwaad was hij: “Godverdomme, godverdomme, stomme lul, godverdomme, meneer, het ging zo goed, maar hij zit maar te klooien met die tafel tegen mijn stoel aan, maar godverdomme, u hebt de hele les nog niks tegen me hoeven zeggen, en hij, en hij ….” Machteloze woede. Maar ik realiseerde me dat hij gelijk had: ik had hem van de hele les nog niet 1 keer vermanend toegesproken. En ik snapte wat er aan de hand was: de achterbuurman had Bart op zitten naaien in een poging wat kabaal op zijn kosten te krijgen.
Ik kalmeerde Bart (“Bart, af!” Daar moet ie om lachen en de spanning vloeit weg uit zijn schouders), stuurde de achterbuurman naar de wc om zijn gezicht te wassen en ging zonder veel omhaal door met de les. Pas een uur later, na de les, praatten we er over na. Zonder de werkmeester dit keer, gewoon onder elkaar. Dan is alle emotie weggevloeid en haalde iedereen er zijn schouders over op. Kan gebeuren.

in het kader van Het Oude Beroepsonderwijs haal ik hier herinngen op aan de mts. Dit is al van wat later, 2002.

zondag 15 mei 2011

22. Familie soms?

In 1996 trokken we, als spiksplinternieuw ROC, in een spiksplinternieuw gebouw. Een duidelijk nadeel van een zo'n smetteloos gebouw is dat je elke scheet ziet. Op die lelieblanke muren is elke streep een vloek in de kerk en dat is lastig. In principe is één streep natuurlijk niet zo erg, maar als het de eerste is, is het wel erg want een streep neigt tot groepsvorming. Een streep is sociaal aangelegd en al gauw zijn het er twee, drie, vier: hek van de dam.
Afgelopen maand was het hek van de dam omdat een hele gang volgeschreven was met kreten die ik hier niet zal herhalen want ik wil het wel netjes houden, maar leerlingen zitten daar niet mee en ik kreeg alles loud and clear door de klas geroepen. Ze wilden het best even op het bord schrijven, als ik geïnteresseerd was ......
Leerlingen kunnen ontstellend grof in de mond zijn. Je went er aan want je went aan alles, maar ik keek dit jaar toch even op van alle vertalingen en bewerkingen van het Amerikaanse 'motherfucker' die de ronde deden. Zeker als er gewoon Tilburgs gesproken wordt (dus altijd eigenlijk) komt het kwetsend over. Op mij, tenminste, want de jongens zitten er niet mee. Er zijn al standaardantwoorden op deze standaardverwensingen, even grof als het origineel, en de klas wordt er niet warm of koud van.
Ik wond me op, wat verbaasde reacties uit de klas tot gevolg had: "Och meneer, 't betekent toch niks."
Maar taalgebruik komt precies, en soms krijgen leerlingen de geest en willen ze zich correct uitdrukken. Daar sta ik dan wel achter, maar binnen zekere grenzen. Want uit onwennigheid komen ze dan met onaanvaardbaar oubollige uitdrukkingen.
Leerling: "Ja zeg, ik zit hier niet voor jan-met-de-korte-achternaam."
Dat vind ik te erg, te truttig voor een aankomende bouwvakker.
"Oh", reageer ik quasi vermoeid, "Je bedoelt Jan Lul?"
De leerling kijkt verbaasd, maar ik trap er niet in: "Of niet dan?"
"]a, dat wel."
Ik: "Nou, zeg dat dan gewoon."
Leerling: "Ja maar, ik dacht..."
Ik: "Dat ik die niet kende."
Leerling: "Zoiets ja."
Andere leerling: "Volgens mij kent ie 'm heel goed."
Weer andere leerling: "'t Zal wel familie van 'm zijn."

Gerard Sanberg

zondag 8 mei 2011

21. Voeden wij op?

Jazeker voeden wij op, al denkt onze gymnastiek-docent dat men daar steeds minder belang aan hecht sinds hij zichzelf weggezet zag als ”begeleider van het fitness gebeuren”. Wij voeden op, als onderwijsgevenden, maar je mag het niet meer zo noemen. Opvoeden, dat ging over ouderwetse deugden als orde, netheid en goed gedrag. En dat kan niet meer, leerlingen deugden bijbrengen. Ik voed mijn leerlingen dus niet meer op met deugden, maar in plaats daarvan leer ik hen dat het bedrijfsleven grote waarde hecht aan sociaal normatieve kwalificaties als discipline, stiptheid, betrouwbaarheid en precisie.

Dat heb ik geweten.

Ik heb 156 proefwerken nagekeken waarin ik de leerlingen vroeg om enkele sociaal normatieve kwalificaties te noemen. Ik weet dat het logisch gezien niet kan, maar toch, ik heb het gevoel dat je een woord als ‘discipline’ op 156 verschillende manieren kunt schrijven.

Wie het wel goed schreef was (merkwaardigerwijs) Vasisht Kohi, een lastige naam om hardop door de klas te roepen want dan is het net of je hem voor ‘fascist’ uitscheldt. En, eerlijk gezegd, ik moet zijn naam nogal eens hardop door de klas roepen want hoewel hij ‘discipline’ foutloos spelt, heeft hij er een duidelijk waarneembaar tekort aan.

In W2a is hij overigens niet de enige, wat dat betreft. Wel wat betreft allochtoonheid (dat is geen woord maar u weet wat ik bedoel): voor de rest zijn dat allemaal melkboerenhondenkoppen in W2a, en eigenlijk geldt dat zo'n beetje voor die hele mts van ons: nog steeds is dat een zeer autochtoon gezelschap.

Uit zuinigheidsoverwegingen en omdat het milieu mij aan het hart gaat gebruik ik als kladpapier vaak blanco achterkanten van kopieën die ik over heb. Zo zat ik laatst in een vergadering met collega’s uit het hele land aantekeningen te maken op de achterkant van een vel met de pasfoto’s van een klas leerlingen. Een collega uit Amsterdam griste het uit mijn handen om de foto’s te bekijken – en vervolgens legde hij er precies zo’n aviertje naast, van zijn eigen klas.

Alsof het een negatief van het mijne was! Zijn lijst bestond bijna geheel uit bruine krullenkoppen, slechts hier en daar kon je een verdwaalde boterbloem zien. Dat is natuurlijk onze toekomst. Het aandeel allochtonen onder de jeugd is vrij groot en dat gaat tot uiting komen in onze klassen. Dat geeft niks natuurlijk, ik vind het prima. Maar we blijven wel opvoeden, want het is aan ons om al die leerlingen, allochtoon of autochtoon, melkboerenhondenhaar of krullenbol, boterbloem of dahlia, sociaal normatieve kwalificaties bij te brengen. Omdat het bedrijfsleven dat op hoge prijs stelt. Maar vooral omdat wij dat zelf nodig vinden.



Gerard Sanberg

Deze dateert van 1995

woensdag 27 april 2011

20. Duizend bommen en granaten

Op maandag- en dinsdagavond komen de monteurs naar school: volwassen mannen met een volledige dagtaak die hun monteursdiploma willen halen omdat ze dan meer verdienen. Het vervelende is dat wat ze bij ons moeten leren (elektriciteitsleer) niet zoveel te maken heeft met wat ze alledag doen. Het werk dat ze opknappen leren ze in de praktijk, en daar leggen ze praktijkexamens over af met doeltreffende namen als: 'buis', 'kabel', ‘verdeelkasten', ‘metaalbewerken'.

Volgens de wet moeten de monteurs zich ook Maatschappelijk en Cultureel Kwalificeren - kortom, ze krijgen maatschappijleer. Het is niet het populairste vak, maar het is verplicht dus we maken er het beste van. Bij het nakijken van de schriftelijke opdrachten schrijft de wet voor dat ik let op Nederlandse taal en spelling. De grofste overtredingen streep ik dus aan.

De lessen verlopen vaak wat rommelig omdat de monteurs allerlei verhalen hebben over het echte leven, buiten, en af en toe luchten ze hun hart over het krentenwegen en de futiliteiten waar sommige leraren (ik dus) zich noodgedwongen mee bezig houden. De tegenstelling tussen het echte leven en de school is groot, soms.

De monteur. "Ja, het hangt er van af. Dan zit je met z' n tweeën tv te kijken en dan komt er een melding binnen. Balen! Nou, dan kijkt mijn maat naar mij: ga jij maar. Maar ik kijk naar hem: nee, ga jij maar. Ten slotte gaan we met z' n tweeën.

Hij kruipt er naar toe, ik blijf op afstand. Hij kijkt heel goed tot hij denkt dat hij weet wat het is, en dan kruipt hij terug. Hij zegt niks tegen me. Dan kruip ik er heen, ik kijk ook heel goed tot ik denk dat ik weet wat het is. Dan kruip ik terug, en zeg tegen hem wat ik denk. Als hij hetzelfde denkt zijn we er tamelijk zeker van dat het klopt, dat we weten wat het is.

Dan moet één van de twee er weer naar toe, voor de demontage. Maar ja, we zijn niet altijd met z'n tweeën. Dus dan kruip ik er alleen naar toe, scherfwerend pak aan, en sleep ik een touw achter me aan. Anderhalf uur ben je bezig met het blootleggen van zo'n ding. Nou, dan ligt ie bloot en dan maak je een foto en die bind je aan dat touw en die ander achter je, die trekt dat naar zich toe. Die geeft de foto aan de luitenant en die zoekt het op in zijn boekje en als hij dan weet wat het is, dan kun je aan het werk.

Dat duurt vaak ook wel twee uur, hoor. Maar soms kom je er niet achter wat het is of het lukt niet om hem te demonteren. Dan bind ik er driehonderd meter touw aan en kruip weg. Ik ga achter een bunker zitten op minstens vijftig meter afstand en begin te trekken en dan hoop je maar dat je 'boem' hoort, maar dat gebeurt niet altijd. Dan heb je hem een eindje weggetrokken en hij is nog niet ontploft - dat is niet leuk want dan moet je er weer heen.

Ik ben drie keer in Bosnië geweest, want dat betaalt goed hoor, je steekt dertigduizend gulden in je zak per trip. Maar nu kwamen die berichten over Eritrea, en ik keek eens om me heen en we waren nog maar met twee mineurs dus ik dacht, ikke niet. Want Eritrea, daar zit zulke linke troep in de grond, daar kun ie gewoon niks van zeggen. Daar pakken ze een bloempot en die doen ze vol kruit en dat stoppen ze in de grond, en daar mag jij dan aan gaan zitten pulken. Nou, mooi niet.

Dus ik ben naar de Firma Van Hees gestapt en heb gezegd dat wilde ik verdienen - dat vond ie goed. En de opleiding wordt betaald. Ook goed. Dus daarom zit ik nu hier en niet in Eritrea."



Deze wat verbeten monoloog werd uitgelokt doordat ik had zitten doorzagen over dat hij "ik vindt" had geschreven.

zaterdag 16 april 2011

19. Harder duwen, dan gaat ie er wel in

Er is een film van Fellini over een orkestrepetitie onder lastige, om niet te zeggen onwerkbare, omstandigheden: de repetitieruimte zit in een gebouw dat wordt afgebroken. De afbraak gaat door, de repetitie ook. Het geluid van de sloop komt dichterbij, maar de dirigent houdt vol. Het orkest vervalt geleidelijk tot anarchie, één van de musici gaat zelfs een vrouwelijke collega te lijf, onder de enorme vleugel.
Lesgeven aan de MTS in Tilburg leek een beetje op die orkestrepetitie, de afgelopen weken.
Tegenover onze school zijn ze begonnen met de nieuwbouw, maar een deel van de nieuwbouw moet aansluiten op de oudbouw (ons gebouw dus). Dus moet een deel van de oudbouw worden opengebroken om die aansluiting te kunnen maken. Voor de bouwvakkers is het geen probleem maar gewoon werk, maar voor ons werk is het een probleem. Wij geven les en dat is geen pretje.Zo moest de kiezel van ons dak. Daar wordt dan zo’n samengestelde slurf voor in stelling gebracht (aan elkaar gekoppelde plastic emmers zonder bodem) die uitmondt in een ijzeren container.
Kunt u zich voorstellen wat voor een kabaal dat maakt, als een kruiwagenlading kiezel twaalf meter valt in een ijzeren bak? Die bak stond recht onder het raam van mijn lokaal. De slurf liep op, pakweg, 40 cm van dat raam. Ik had het zo geregeld: achterin de klas zat een leerling die elke vijf minuten een bouwvakker (‘Marco’, wisten wij inmiddels van de luide conversatie op het dak) met een kruiwagen vol kiezels aan de dakrand zag verschijnen. Telkens als Marco zijn lading in de slurf mikte, stak die leerling zijn hand op. Ik hield dan abrupt mijn mond, midden in een zin. Na 30 tellen donderend geraas maakte ik mijn zin af.
Eventjes was dat leuk, vooral toen die jongen achterin de klas een vals signaal gaf en ik mijn mond hield midden in de zin en de klas vol spanning wachtte op het geraas en dat niet kwam: “Grapje meneer.”
Moet kunnen, maar ik raakte toch behoorlijk gestresst, net als de dirigent van Fellini.
‘Probe di ochestra’ eindigt ermee dat er een enorme sloopkogel door de zaalmuur beukt en de orkestleden in paniek wegvluchten. Zo ver is het niet gekomen, bij ons op de MTS. Bovendien gingen de lessen over Seks en relaties, dus ik kon rekenen op de aandacht van de leerlingen. Maar aan alle concentratie kwam echter een bulderend, hilarisch, ja ovationeel einde toen de klas, doodstil, een tekst zat te lezen over seks en neuken, terwijl Marco en zijn maat op het dak bezig waren de slurf opnieuw in stelling te brengen. Dwars door die geconcentreerde stilte klonk ineens van buitenaf:
“He, Marco, zit ie er nou in?”
“Nèè, ge moet un bietje harder duwen, dan gaat ie 'r wel in.”

Dat was in mei 1995. Juni 1996 trokken we in het nieuwe gebouw en was het ROC een feit.

zaterdag 9 april 2011

18. Het heeft 3 letters en het begint met een ´ l ´

De monteurs - BBL niveau 2 - komen 1 dag per week naar school voor 6 uur vakleer en 1 uur maatschappijleer. In de praktijk gaat dat anders, want deze groep werkt bij GTI en krijgt les op de bedrijfsschool in Oisterwijk. Daar gaat een vakdocent dus 1 dag per week heen. Maar ik ga niet elke week naar Oisterwijk fietsen voor 1 uur maatschappijleer. Dus?
Ze krijgen 3 weken lang 7 uur vaktheorie. De 4e week krijgen ze 3 uur vaktheorie en 4 uur maatschappijleer.
Ha! 4 uur maatschappijleer! De monteurs! Gelukkig kom ik van goede huize.

Om 11.00 uur kom ik het lokaal binnen en dan zijn ze blij me te zien: na 3 uur komt vaktheorie ze de keel uit. Dus gaan we welgemoed van start. Om 12.00 uur gaan we eten. Zij friet met fris en sigaretten buiten, ik boterhammen met thee in het kantoortje van de praktijkopleider.

Om 12.30 uur beginnen we weer. Met opdrachten die ze individueel moeten maken, uit hun maatschappijleerboek. (Dat ik zelf geschreven heb. Om gezeur over ‘boek vergeten’ te voorkomen, heeft de bedrijfsschool er 20 in de kast liggen.)
Ik deel boeken en opdrachten uit, de jongens gaan aan het werk. Dat gaat best goed, een tijdje. Ze werken met z’n tweeën, maken af en toe een grap of laten een scheet, maar ze blijven bezig met de opdrachten. Mijn gedrag is belangrijk: als ik voor de klas ga zitten om ze in de gaten te houden, gaan ze klooien. Wat ik doe is: door het lokaal slenteren. Ik raap propjes op, zet stoelen recht, kijk over schouders mee naar antwoorden, corrigeer schrijffouten, lees de gebruiksaanwijzing van de brandblusser, maan terloops onruststokers tot orde – kortom, echt werk.

Een half uur is het echte, absolute en totale maximum dat ze dit rustig kunnen. Dan is het op en moet ik met iets anders komen. Bijvoorbeeld de vragen bespreken (maar pas op, want als ik alle vragen bespreek en van goede antwoorden voorzie, en zij weten dat dat komt, dan doen ze niks tijdens het voor-zichzelf-werken) of nog iets uitleggen met aantekeningen erbij. Maar alles slijt, en we moeten nog tot half drie. Tot half drie! Goede raad is duur – maar de video is nabij.

Video! 4 uur maatschappijleer achter elkaar is niet door te komen (voor leerlingen noch docent) zonder audiovisuele hulpmiddelen. Dus ik zorg elke keer voor een videoband die iets met het onderwerp van de les te maken heeft. Ik ben de enige die dat criterium belangrijk vind, overigens. Het zal de jongens worst wezen waar het over gaat, als het maar beweegt. En elke les vraagt er wel eentje om ‘Een HP-film met veel SM’.
“Nee, die bewaar ik voor thuis”, zeg ik dan.
“Ja”, krijg ik terug, “Mijn vader houdt ook wel van een Harde Politiefilm met veel Spannende Momenten.”
Ja, flauw is soms leuk, maar de videobanden die bestemd zijn voor maatschappijleer kunnen maar matig boeien. Verkiezingen, parlement, vakbond… zelf kijk ik er ook niet voor mijn lol naar. Criminaliteit scoort beter. En ik heb een goeie band over racisme. Maar liever: een speelfilm. Zo gebruik ik ‘Pieter Daens’ bij de onderwerpen arbeid, loonstrijd, vakbonden, cao’s, etc. Bij veel onderwerpen, want het is een lange film en ik draai dan elke keer bijvoorbeeld 3 kwartier.
Dan hebben we nog een kwartier – en dat is geen enkel probleem. De sfeer is wat slaperig na de film, ik deel de laatste opdrachten uit en zeg dat ze die volgende keer af moeten hebben en dat ze daar de rest van de les aan kunnen werken. Wat ze hier niet afkrijgen doen ze thuis maar.
Dan is het tijd en mag ik naar huis. Zij ook – als ze snipperuren opnemen. Want dit is een bedrijf, ze worden betaald en als ze om half drie naar huis willen moeten ze twee snipperuren nemen.
Apart, toch?

PS
“He meneer, het heeft 3 letters en het begint met een ‘l’?”
“Les! Ha! U dacht iets anders he?”

zaterdag 2 april 2011

18. Men and boys: the difference is the price of their toys

Het is de eerste zaterdag van de grote vakantie en om 08.00 uur meld ik bij de ingang van vliegbasis Gilze-Rijen. Daar staat al een menigte, maar ik heb een pasje dus voor mij doen ze de poort open. Nonchalant fluitend fiets ik tussen geparkeerde bommenwerpers, straaljagers, awacs en helicopters naar shelter 614. De bunker is somber, maar gelukkig hebben we genoeg licht in de ROC-stand. Helaas hebben we niets dat beweegt en geluid maakt. Ik bedoel: iets elektronisch, want zelf bewegen we natuurlijk wel en we maken ook geluid, maar de andere stands (Hogeschool Haarlem, Hogeschool Amsterdam, Standard Aero, TU Delft) hebben beeldschermen waarop je bijvoorbeeld ‘flight simulator’ kunt doen. Ideaal om jongetjespubliek te trekken. En op de Open Dag van de luchtmacht komen veel jongetjes. Jongetjes van 8 en jongetjes van 80 en alles er tussenin.

Veel van die jongetjes hebben gekke petjes op: vechtpetjes, baseball petjes van alle denkbare squadrons en eenheden. Onder die petjes staan hun gezichten opgewonden van dat mooie spul van de luchtmacht, en onder die gezichten dragen ze fantasievolle uitrustingen (speelgoedkleren): quasi militaire bodywarmers met veel zakken en zakjes, t-shirts met strijdlustige opschiften en beeltenissen, gevechtsbroeken. Veel laarzen ook, of halfhoge schoenen.

Af en toe komt er een groepje rustige mannen langs in kale, geheel van fantasie gespeende overalls. Ze worden met ontzag bekeken door de speelgoedklerendragers: dat zijn echte, de vliegers van een of ander stuntteam.

Ik ben natuurlijk ook een jongetje en ik vind al die spullen ook mooi, maar ik ben vandaag on duty dus ik draag een keurig pak en een fleurige stropdas. In het kader van promotie van onze luchtvaartopleidingen staan we op de Open Dag van de Koninklijke Luchtmacht in Gilze-Rijen. Wat later komen onze stewardessen in een fraai, blauwe pakje het roc-team versterken. Ja, dat is mooi, stewardessen, dat trekt ook jongetjes dus het loopt best goed.

Hoe gaat het dan verder op zo’n dag? Ach, z’n gangetje. Komt er een meisje langs dan roep je: opleiding tot stewardess – niks voor jou? Komt er een jongen langs dan roep je: Luchtvaarttechniek, hartstikke leuk joh. Je verveelt je wat, je loopt eens de hal uit de open lucht in. Er komen collega’s langs, dat is leuk. En elke keer als je een haffel pepermuntjes over de tafel uitstrooit duiken uit het niets bendes jongetjes van een jaar of tien op en graaien die weer van tafel – in een mum van tijd zijn de versnaperingen verdwenen.

Drie keer probeer ik ‘luchtvaarttechniek’ te slijten aan jongens die al bij ons op school zitten: luchtvaartleerlingen zijn natuurlijk zeer geïnteresseerd in de luchtmacht. Er komt iemand langs die generatoren aan onze school wil schenken om aan te sleutelen. Er komt iemand langs van Schiphol: die wil met ons samenwerken maar dan moeten we wel voldoen aan de JAR 137.

Moe fiets ik om zes uur naar huis. Voldaan? Ha, wat heet? Hartstikke trots ben ik. De Fokker Luchtvaart School stond er. Standard Aero. Hogeschool Haarlem. Stork Aviation. Hogeschool Amsterdam. TU Delft. TNO. Het Nederlands Luchtvaartcollege. En daartussen: ‘ROC Midden-Brabant. Luchtvaartopleidingen.’

Zegt het voort, zegt het voort.

Gerard Sanberg

In het kader van 'het oude beroepsonderwijs' haal ik hier herinneringen op aan de RK MTS in Tilburg.

zaterdag 26 maart 2011

16. Paul Newman!

De bedrijfsschool van de GTI wordt opnieuw ingericht, dus ik stap binnen, om 08.00 uur 's morgens, en zie: leeg! Hartstikke leeg! Staat helemaal niks meer in! De werkmeester moet lachen om mijn reactie: "Ja, we zijn weer eens beroofd."
Dat is al eerder gebeurd en heel even geloof ik hem maar dan realiseer ik me dat inbrekers geen stoelen en tafels wegslepen. We wachten op de vrachtauto van Overtoom ('tuut tuut' staat op de zijkant. En 'tuut tuut' doet hij.), die komt om kwart over acht.
Net als de leerlingen krijgt de chauffeur eerst een kop koffie. We drommen samen bij de poort, de enige plek waar gerookt mag worden. Beetje grappen, beetje dollen. 20 jongens van een jaar of 18, allemaal gewend aan lichamelijk werk maar vandaag naar school dus een makkie. Allemaal bekertje koffie in de ene hand, sjekkie in de andere. Het is prachtig weer, een vroege lente dampt over het industrieterrein, de geur van koffie en verse shag hangt in de lucht. De chauffeur springt op de laadklep en manoevreert met een pompwagentje en volle pallets. De laadklep gaat met een gedempte zoem naar beneden en de chauffeur schuift de eerste pallet met verpakte meubelen de stoep op.
De werkmeester van GTI grijpt het eerste pak met stoelpoten en geeft het aan de leerling die het dichtst bij hem staat: "Dit moet naar de praktijkruimte."
Ha! Het is vroeg, de nevel hangt over de velden, we zijn er net - en nu gaan we de handen uit de mouwen steken. Ja! De werkmeester verdeelt de pakken. "Dit naar kantoor Dit naar het theorielokaal. Naar de praktijkruimte. Pak aan, Remco. Voorzichtig met die kast. Die is groot - met z'n tweeën."
De ene leerling is breed en pakt een stapel alleen (onder gejoel), andere leerlingen zijn smaller en doen het vanzelf met z'n tweeën. Ik kijk en drink cappuccino. De chauffeur krijgt er ook lol in en voert het tempo op, maar de jongens houden hem gemakkelijk bij en in tien minuten is de vracht gelost.
Voldaan kijken we naar de lege laadruimte en de lege stoep. Alles staat waar het moet komen - nu nog uitpakken en in elkaar zetten. Dat doen we morgen, nu is er les.
Waarover? Over werk! Waarom werken wij? Zonder aarzelen komt het antwoord, unaniem: voor het geld! Ja, natuurlijk. Als ze je niet betalen, kom je niet. Maar werk geeft toch nog meer dan alleen verdienste?
Oh ja? Ja! Glazige blikken.

Waar moet ik aan denken7 Aan een film met Paul Newman. Speelt in een Amerikaanse buitengevangenis in de jaren '50. Forced labour. Geketende gevangenen die 's morgens in een rij het veld in trekken, onder begeleiding van bewakers te paard, om met de hand een weg aan te leggen. Met schoppen en steenslag ('working on the chain'). Paul Newman is de nieuwe man in de gevangenis en hij ‘krijgt de geest’: terwijl ze altijd zo langzaam mogelijk werken (net niet stilstaan en omvallen), kijkt hij over de dampende velden, naar het gereedliggende steenslag, de opkomende zon - en hij spuwt in zijn handen en pakt zijn schop beet en gaat aan het werk. Tempo! Energie!
De anderen lachen eerst maar het werkt aanstekelijk en dan krijgt iedereen de geest: we zullen ze eens wat laten zien. Als een bezetene gaat de hele ploeg te keer en halverwege de dag worden de gevangenen teruggeleid naar het kamp: het werk van de hele dag is in een paar uur geklaard, meer ligt er niet klaar.
De mannen grijnzen voldaan naar elkaar, Paul Newman mompelt: They never seen a man work.

In het kader van het oude beroepsonderwijs haal ik hier herinneringen op aan de RK MTS, jaren 90.

zaterdag 19 maart 2011

15: Met mes en vork

Ik probeer een nieuwe lesmethode uit en dat is best leuk. De nieuwe eindtermen introduceren ook softe onderwerpen bij maatschappijleer op de MTS, en in tegenstelling tot wat ik (slachtoffer van stereotypes) verwachtte, slaat het best aan bij mijn techneuten.
We hebben het over 'nature' en 'nurture', dus over wat je gedrag bepaalt: je genen ('nature') of je opvoeding ('nurture').Van tijd tot tijd is dat flink lachen, want het boek geeft aardige voorbeelden. Zo staan er foto's in van typerende houdingen. Een houding die dominantie uitstraalt wordt bij mannen als normaal ervaren maar is bij vrouwen aanstootgevend. Hilarische grappen vliegen door de klas, ik zal ze niet herhalen want ze zijn niet allemaal even netjes. Nou, vooruit, eentje dan. In het boek staat, bij een foto van een meisje in een uitdagende houding:
"Wat zou je doen als je vriendin bij jouw thuis op bezoek was en zo ging zitten?"
Reactie uit de klas: "Vragen of ons pa en ma even de kamer uit gaan."
Dan, over sociale controle en dat het bij vandalisme verschil maakt in welk gezelschap je verkeert: als je met vrienden op stap bent sloop je misschien eerder een bushokje dan wanneer je met je vader ergens heengaat. “Ik hoor het wel, hij kent onze pa nie.”
Maar de beste grap ontstaat vanzelf, per ongeluk. Ik laat ze vijf vragen maken over gewoontes en manieren. Van wie hebben ze geleerd om zus en zo en dit en dat. Allerlei dingen die de meesten van ons wel kunnen en ook wel doen. En na tien minuten laat ik de antwoorden voorlezen. Ik begin tamelijk willekeurig linksachter en werk die rij leerlingen naar voren toe af. Eerst vraag a, dan b, dan c, dan d. Enfin, u begrijpt 't wel.
"Vraag e." Ik wijs de volgende leerling aan en lees de vraag hardop voor. "Van wie heb je geleerd met mes en vork te eten?"
"Ja, dat moet u mij niet vragen", glimlacht Chung-Ho breed. "Wij eten thuis met stokjes."
Het is even stil. Dan davert het lokaal van de lach. De zoemer gaat verloren in het lawaai.

November 1997.

zaterdag 12 maart 2011

14: Klootzak! / Meneer!

Vorige week hebben wij en petit comite op ons ROC op Stappegoor het Suikerfeest gevierd, uiterst onofficieel en de directie wist er niks van en het was gewoon in het praktijklokaal elektrotechniek, met een hele klas BOL2-leerlingen. In die klas zitten namelijk vier Marokkaanse jongens en het is een leuke klas – ik kan er tenminste goed mee overweg. Dus die vier moslims hadden een tijd zitten smiespelen en kwamen toen langs om mij uit te nodigen in de praktijkles: Meneer, kunt u woensdag om 12.00 uur in lokaal 060 komen?
Ja, dat kon ik wel en ik had niet echt tijd om door te vragen dus ik dacht ik zie wel.
Ik was er en de vakleerdocent elektrotechniek en de praktijkdocent en we hadden pas iets in de gaten toen de jongens literflessen cola en seven-up tevoorschijn haalden, en een doos met een flinke taart, en iedereen uitnodigden aan de enorme werktafel. Leuk was dat: in dat grote, kale praktijklokaal vol werkplekken en schakelkasten en half voltooide werkstukken, zaten we te smikkelen van suikerzoete taart en lauwe frisdrank. En ondertussen ging het gesprek over hun gedrag op school. Wat kon wel en wat kon niet en waren zij het daarmee eens?
Eén van hen had gisteren een leraar uitgescholden (‘klootzak’), en was daarom de les uitgestuurd. Had zich bij mij gemeld en nu moest hij van mij een middag terugkomen: voor straf. En hij had zijn excuses moeten maken.
Was dat nou nodig? Vroeg de groep.
Ja. Antwoordde ik.
Waarom dan? Vroeg de groep.
En we praatten wat over het verschil tussen wat je mag denken en wat je mag zeggen.
Kijk. Zei ik. Dat Ahmed op een gegeven ogenblik bij zichzelf denkt klootzak, dat is niet anders. Dat kan terecht zijn, of niet, maar dat doet er niet zoveel toe. Hij mag het alleen niet zeggen. Wat je zegt, daar gelden normen voor. Dan moet je je aan regels houden. Het is net als discriminatie. Mensen mogen van andere mensen denken wat ze willen, als ze zich maar netjes gedragen en geen verkeerde dingen zeggen. Woorden zijn daden.
Dus. Zei Ahmed. Ik mag wel denken klootzak, zolang ik maar meneer zeg.
Ahmed, je hebt het begrepen. Zei ik
Jazeker, meneer Sanberg. Zei Ahmed.
Én gelachen dat we hebben.

(februari 1999)

zaterdag 5 maart 2011

13. Wil de echte Turk opstaan?

Ik zit achter in de klas stiekem te duimen: laat dit niet ophouden. En gelukkig, het houdt niet op! De klas is in gesprek met zichzelf, over buitenlanders, over seks en over de Islam. Dat gesprek gaat goed en dat is een klein wonder, want deze klas functioneert niet goed. Van tijd tot tijd is er ruzie en dat concentreert zich rondom drie Turkse jongens. Die klitten samen en één van hen is nogal dominant. Dat irriteert. Hij is te serieus bezig, vindt de klas, en hij trapt ook overal in. Dat is dan wel weeer leuk en maakt hem tot een dankbaar object van spot. Lachen!
En nu? Nu houden ze een spreekbeurt. De Turkse jongens hebben het over "Het verschil in houding t.o.v. seks tussen buitenlandse en Nederlandse jongeren."
Het is, vind ik, ontroerend. Ze zijn in Nederland geboren, ze spreken goed Nederlands en nauwelijks Turks, in de achttien jaar van hun leven zijn ze een paar keer op vakantie geweest in Turkije. En als ze 'bij ons' zeggen, edoelen ze: in Turkije.
Hoe gaat het dan, die seks 'bij ons'?
Het beeld dat ze schetsen, is hoe zij vinden dat het zou moeten zijn, in Turkije, onder echte moslims. Het heeft niet zoveel te maken met hoe het er werkelijk aan toe gaat, daar. De Nederlandse jongens voelen dat wel aan en stellen slimme vragen zonder lullig te worden. De Turkse jongens gaan steeds verder in hun idealisering. Iedereen die daar niet aan beantwoordt (de rijke mensen in Turkije, de bedorven mensen in Turkije, de westerse mensen in Turkije, de moderne mensen in Turkije, ja, de mensen in Turkije die in contact komen met de westerse toeristen, enz enz) is eigenlijk geen echte Turk. En in elk geval geen echte moslim.
Stilaan begint het er op te lijken dat een echte Turk 'het' helemaal niet doet, dat seksgedoe, dat dat iets typisch westers is, maar het gesprek gaat verrassend lang door: serieus, onderbroken door grappen die het gesprek een lichtere toets geven maar niet afbreken.
De verlossende ontknoping is tenslotte, dat de Turkse jongens zelf ook niet aan hun ideaalbeeld blijken te beantwoorden. Ze zijn wel eens gezien in de disco, ze zijn wel eens gezien met een glas bier in hun hand, ze zijn wel eens gezien met een meisje ... en één van de Nederlandse jongens zegt: "Ach, jullie zijn zelf ook geen echte Turken, en volgens mij is dat maar goed ook want zo is er toch geen lol aan."
Waarop de hele klas een lachbui krijgt en goedgemutst het lokaal verlaat. Ik wou dat al mijn lessen zo liepen.

In het kader van Het Oude Beroepsonderwijs: herinneringen aan lessen maatschappijleer op de RK MTS in Tilburg, jaren 90.
Deze dateert van oktober 1997

zaterdag 26 februari 2011

12. Te gast bij de overburen

Door roosterperikelen die ik niet helemaal begrijp is mijn les aan E2a verplaatst naar het gebouw van de AG-opleiding, schuin tegenover onze MTS. Als ik daar binnenloop op zoek naar mijn klas, kan ik het lokaal niet vinden. Ik dwaal wat rond en als ik in de buurt kom is het ineens heel gemakkelijk: ik ga op het lawaai af. Als ik het lokaal binnenloop vliegt er een borstel mijn kant op. Op het allerlaatste moment vang ik die nonchalant op, met één hand nog wel. Heel even ben ik daar erg tevreden over, maar dan blijkt dat de borstel verzadigd is met krijtstof dat zich nu als een grijze wolk over mijn jas verspreidt. Mijn hand zit ook vol. Shit.
De klas geniet. Ik leg de borstel weg en blaas het stof van mijn hand, precies in het gezicht van de jongen op de eerste rij. Die begint te hoesten. Juist.
Langzaam komt de klas tot bedaren en ik wil met de les beginnen als Stef van de Loo ineens door de klas roept dat het benauwd is en dat er een raam open moet: "Hé, Eric, moet ur gin raom ope?"
Gealarmeerd kijkt Eric naar het raam. Het is een schuifraam en het zit potdicht, de mouw van zijn jas steekt nog net het lokaal in. Dus als het raam opengaat, valt zijn jas naar beneden (we zitten op de eerste verdieping).
Na enig geworstel (ze laten hem niet meteen door op zijn weg naar het raam) weet Eric de mouw te pakken te krijgen. Na nog enig geworstel gaat het raam open en heeft ie z'n hele jas. Na weer enig geduw en getrek zit ie weer op z'n plaats.
Ik begin met de les.
Na anderhalve zin roept Eric ineens: "M'n databank, nondeju, m'n databank, die zat in m'n jaszak."
Stef kijkt uit het raam: "Ja, dat klopt, ik zie 'm liggen."
Ik ben het nu meer dan zat, maar Stef is zo snel dat ik erdoor verrast word. Hij staat op, schuift het raam open, leunt naar buiten en rekt zich uit. Zijn bovenlichaam verdwijnt uit het gezicht. Dat vindt iedereen meer dan prachtig. Enkele maten snellen behulpzaam toe om hem verder het raam uit te duwen. Stef trapt wild om zich heen. Ik snel er heen om de maten weg te trekken en krijg een trap mee van Stef, die ook niet ziet wat hij doet (hoop ik).
De klas joelt: "Ha, hij heeft natuurlijk niet in de gaten dat er een afdak is."
Inderdaad, de databank ligt op het afdak, een halve meter onder het raam. Stef kan er net bij en komt triomfantelijk weer naar binnen.
Ik begin nog maar eens met de les.
Twee uur later kom ik op de gang een collega tegen die bezorgd informeert: "He, wat hoor ik nou, hebben ze jou buiten het raam gehouden?"
E2a had op zitten scheppen, bij hem in de les. Hij had veel huiswerk opgegeven en toen had iemand gezegd: "Zullen we hem ook eens buiten het raam houden?"

P.S.
Een gebouw voor Assistenten in de Gezondheidszorg (allemaal meisjes) moet aan heel andere eisen voldoen dan een gebouw voor Aankomende Technici. Sinds wij daar te gast zijn met onze klassen vol techneuten zie je de zwakke plekken. Het is goed dat het maar voor korte tijd is, anders zou je dat gebouw aan de straatstenen niet meer kwijt raken.
Ik had het er met het Hoofd Opleidingen AG over. Hij had een mooi eufemisme: “Ja, die van jullie gaan anders met het gebouw om, he?”
”Dat kun je wel zeggen", antwoordde ik, “Ze slopen het waar je bij staat.

zaterdag 19 februari 2011

11. Henk van der Stoel

Elke jaar maak ik de nieuwe opleidingsfolders, dus elk jaar corrigeer ik 102 drukproeven – maar dit jaar met tranen in mijn ogen. Niet dat er zulke ontroerende teksten in stonden (…zijn zeer gewilde krachten in het bedrijfsleven…) of dat ze dramatisch veel slechter waren dan andere jaren (…Open Dag: 25 januari 2002…), maar ik zat in de trein naar Middelburg, voor de begrafenis van Henk van der Stoel.

Henk is jarenlang een strijdmakker geweest en in een aantal methoden maatschappijleer staan onze namen (als auteurs) vlak onder elkaar. Waar streden we voor? Of tegen? Ja, daar vraagt u me wat. Voor beter onderwijs, misschien wel. Of, in elk geval, voor ons vak. Voor betere lessen maatschappijleer! Ja: daar zou Henk het mee eens geweest zijn! (“Nee Gerard, onthoud dat nou eens. Het heet geen maatschappijleer maar maatschappelijke en culturele vorming.”) – Juist. Misschien was Henk het ermee eens, maar hij was het nooit helemaal eens met wat iemand anders zei: dan gaf hij er gauw een eigen draai aan.

Dat van die vorming, dat was principieel. Dat er iets met de leerlingen gebeurde, zodat zij als volgroeide persoonlijkheden de school verlieten, dat vond hij belangrijker dan dat ze feiten leerden. En iets van die overtuiging is terug te vinden in de eindtermen Maatschappelijke en Culturele Vorming voor de techniek, want tijdenlang was ons strijdperk de landelijke Adviesgroep MCV, die voor die eindtermen heeft gezorgd.

Lange en taaie onderhandelingen waren dat, en daarbij kwamen de verschillen tussen Henk en mij soms goed van pas. Henk was een onverzettelijke, principiële Zeeuw, een echte, uit de klei getrokken protestant. A la Maarten Luther: ‘Hier sta ik, ik kan niet anders’. Terwijl ik, als Brabantse zandgrond-katholiek, veel soepeler in de leer was. De leer – hoe bedoelt u?

Daar hebben we veel om gelachen en we gebruikten het ook wel. Ik sugereerde Henk dan vóór de vergadering dat het de goede zaak zou dienen als hij over een bepaald punt eens flink van leer zou trekken. Als hij het daarmee eens was, dan deed hij dat. En gelooft u mij: als Henk van der Stoel van leer trok, dan werd de zaal stil en luisterde. Nondeju! Dat kon hij - maar hij deed het alleen als hij erachter stond.

Zijn voorstellen voor eindtermen liepen via mij, als secretaris, en ik schrapte zaken waarvan ik wist dat ze het niet zouden halen – ook al was ik het er inhoudelijk wel mee eens. Henk wist dat.

“Ach ja”, zei hij dan grijnzend, “Ik snap ook wel dat dat niet kan, maar ik vind dat nou eenmaal. En trouwens, ik dacht, dat haalt Gerard er wel weer uit.”

Een paar weken geleden zat ik bij een zogenaamde veldraadpleging over nieuwe, competentiegerichte eindtermen voor MCV. De discussie kabbelde voort en halverwege dacht ik zoiets als ‘nu zou een uitbarsting van Henk goed van pas komen’. Want de plannen waren (zijn?) om ‘persoonlijke vorming’ weg te laten – en dat zou Henk niet bevallen zijn. Ik wist op dat moment niet dat hij op sterven lag, maar heb, achteraf bezien, voor hem het strijdperk betreden met een vurig pleidooi voor persoonlijke vorming.

Maar Henk is dood en op 3 oktober 2001 hebben we hem in Middelburg begraven, en in de trein heen en in de trein terug had ik gezelschap van de drukproeven van onze opleidingsfolders. En van tijd tot tijd las ik daarin goedkeurend het zinnetje: ‘Ook maatschappelijke en culturele vorming maakt deel uit van de opleiding’.

Juist. Vorming. Dat zou Henk deugd gedaan hebben.

zaterdag 12 februari 2011

10. Gezeur over politiek (1996)

Misschien denkt u door deze stukjes dat mijn dagelijks leven voor de klas één en al pret is: lachen, gieren, brullen en knipogen. Dat zei een collega tegen me: “Volgens mij gaat het bij jou vanzelf, voor de klas.”
Dat is niet zo, in sommige klassen is het echt ploeteren. Zo heb ik al een tijdje ruzie met een bouwklas. Daar zitten een paar schreeuwers in die op een gegeven ogenblik stemming gemaakt hebben tegen mij en mijn vak – en nu is er geen land meer mee te bezeilen. Ze zijn het erover eens dat ze mij niet moeten, en mijn vak ook niet, en dat ik maar beter op mijn tellen kan passen.
Ik pas dus op mijn tellen, dat wil zeggen, ik houd ze goed in de gaten want als ik verslap komt er stront. Door die houding verstrakt de sfeer nog meer, zodat ik het de jongens eigenlijk niet meer kwalijk kan nemen dat ze er geen zin meer in hebben. Ik heb er ook geen zin meer in.
Is dat erg, zo’n klas?
Nou, erg. Het is vervelend, voor hen en voor mij. Als al mijn lessen zo gingen, stopte ik met lesgeven voor het lesgeven met mij stopte. Dat is dus gelukkig niet zo, maar er zit elk jaar wel een klas tussen met wie het niet lukt. Zo bijzonder is het dus niet, maar wat me in dit geval trof, was de strekking van het verwijt dat ze me maakten.
Als je maatschappijleer geeft aan een technische school heb je van tijd tot tijd een dikke huid nodig. Toen ik ermee begon, in 1981, was er voor maatschappijleer een algemeen programma. U kent dat wel: politiek, criminaliteit, oorlog en vrede (de jongens vonden vooral de techniek achter de kruisraketten interessant), discriminatie, etc. Af en toe kwam er uit de klassen protest: Dit is toch een technische school? Wat moet ik dan met dat gezeur over politiek?
De eindtermen die vervolgens werden vastgesteld leken wel een reactie op die opmerkingen. Ze schiepen de mogelijkheid om meer techniek in de lesstof te stoppen via het onderwerp 'Technologie en samenleving'. Ik heb die mogelijkheid dankbaar aangegrepen en dat onderwerp prominent op het programma gezet.
Wat was nu het verwijt dat die bouwklas mij maakte (en waarmee de ruzie begon)?
Zeg, dit is toch maatschappijleer? Waarom krijgen we dan niks over politiek? Straks moeten we stemmen en dan weten we niet eens op welke partij.
Tja, wat is wijsheid? Ik was ad rem genoeg om te antwoorden dat, als ik ook nog politiek moest behandelen, ik een lesuur méér wilde, op het rooster. That shut them up, zo te zeggen, maar een fatsoenlijk antwoord is het natuurlijk niet.
Meer gezeur over politiek dan maar?

zaterdag 5 februari 2011

9. Hullie

Hullie (1993)

Neem studenten hun illusies niet af! Ook niet door de zuivere waarheid en niets dan de waarheid. Een voor veel leerlingen moeilijk verteerbare waarheid is de uitspraak: “Het gebruik van alle soorten drugs is in Nederland bij wet verboden.”
Deze zin in ons schoolreglement dient als inleiding bij een verbod op het gebruik van en de handel in drugs op school, en leidt onveranderlijk tot felle discussies. Klassen vol zijn er heilig van overtuigd dat het roken van hasj en nederwiet en whatever in Nederland bij wet is toegestaan. (Het zou me niks verbazen als een flink aantal collega’s dezelfde mening is toegedaan. In elk geval denkt de hele wereld buiten Nederland dat dat zo is.)
Maar het is niet zo. Het gebruik van hasj etc is bij wet verboden, evenals de handel, hoe klein de hoeveelheid ook is.
Deze mededelingen zorgen voor ontsteltenis. Maar meneer, hoe kan dan dit en hoe kan dan dat? En dan gaat het gesprek verder over een typisch Nederlandse modaliteit als ‘gedogen’.
Het vermakelijkst zijn deze discussies als er enkele leerlingen zijn die op de vorige school tijdens de lessen maatschappijleer goed hebben opgelet en weten hoe het zit. Die houden dan vol dat het inderdaad verboden is. Zij worden door de overgrote meerderheid van de klas bespot en weggehoond.
Enkelen uit die meerderheid, tot wanhoop gedreven door dat koppige, schijnbaar zinloze vasthouden van een belachelijke positie van de minderheid, roepen dan mijn hulp in:
“Meneer, zegt u nou eens hoe het zit.”
Met een malicieuze grijns geef ik de minderheid gelijk.
Bouzid (als ik op verzoek van de klas het concept ‘gedogen’ heb uitgelegd en hij dus moet aannemen dat softdrugs wel degelijk verboden zijn, in het tolerante Nederland - wat enkele van zijn maten in de klas dus ook al beweerden):
“Dus hun hebben gelijk?”
“Ja Bouzid”, zeg ik, leraar tot de dood er op volgt: “Zij. Zij hebben gelijk.”
“Ja”, antwoordt hij, zichtbaar geïrriteerd door dat feit dat zij gelijk hebben en mijn grammaticale terechtwijzing daarbovenop: “Hullie.”

zaterdag 29 januari 2011

8. Punten janken.

Een proefwerkweek is leuk als afwisseling: af en toe surveilleren en tussendoor veel vrije uren om rond te lummelen. En dan komt de lading proefwerken en moet je aan het werk.

De eerste les na de proefwerkweek bespreek ik de opgaven in de klas. En och arme leerlingen. Want hoe gaat dat? Ze maken de opgaven in de hogedrukpan van de proefwerkweek. Ze doen er hun best op (best wel) maar ze voelen natuurlijk wel dat ze geen tien gescoord hebben. Twijfel knaagt: zou ’t wel voldoende zijn?

Vervolgens gaan ze zichzelf moed inspreken. ‘Het is vast wel een voldoende, want die eerste vraag die heb ik goed, dat weet ik zeker. De tweede niet, maar die zal wel niet zo zwaar tellen. En de derde, nou, misschien krijg ik toch wel wat punten voor dat antwoord, het was wel niet helemaal goed maar die vraag was ook niet zo duidelijk en in mijn aantekeningen stond...’

In de loop van de week verschuift het beeld van hun prestaties in de richting van: tamelijk rooskleurig. Daar gaat dan nog een weekeinde overheen waarin ze hun ouders overtuigen dat ze toch echt wel iets extra’s verdiend hebben, na zo’n proefwerkweek die ze best wel goed gemaakt hebben... en dan krijgen ze de punten terug.

De naakte waarheid staart hen in het gezicht waar de hele klas bij is. Dat is te veel, die klap is te hard. Daartegen nemen ze hun ego in bescherming. Schelden dus. Omdat ze mij niet rechtuit uit durven schelden (dat moet ik vooral zo houden), gaan ze tekeer tegen de zaak in het algemeen:

“Wè is dè na vur onzin?”

“Wenne flauwekul!”

“Wèn gesèk zeg.”

“Un nááivak, dè ist.”

Als de ergste stoom eraf is komen ze naar me toe. Nog steeds zo geëmotioneerd dat ze Tilburgs praten: “Eh, meneer, hier hè, waorum is dè nie goed?”

Ik ga daar dan niet meteen op in. Laat ze maar stoom afblazen. Ik blijf vriendelijk kijken en zeg dat ik het vraag voor vraag zal behandelen als ze allemaal weer op hun plaats zitten. En jawel, terug in de banken vergelijken ze hun enormiteiten met de antwoorden elders in de klas. En als ze dan zien dat anderen wel goede antwoorden en goede punten hebben voor dat seikproefwerk van dat naaivak, dan is de strijd wel gestreden.

Vervelend zijn alleen die leerlingen die om tienden van punten blijven zeuren, die van een viereneenhalf een vierkommazes willen maken door te dreigen en te jammeren. B2b zet die klanten op hun nummer:

“Hé, Van Bavel, moette oe punten wir bij elkaar jànken?”, klinkt het geïrriteerd door het lokaal.

zaterdag 22 januari 2011

7. Daar gaat zij.... (met dank aan Clouseau)

Onze samenleving is inmiddels behoorlijk gemengd, dacht ik zo. Zijn er nog gebieden, aspecten, sectoren of desnoods maar hoekjes van de maatschappij te noemen die gesegregeerd zijn? Waar jongens en meisjes / mannen en vrouwen ver van elkaar worden gehouden?
Zo veel jaar na de seksuele revolutie zou je toch denken dat we normaal met elkaar om kunnen gaan. Zo veel jaar na de officiële gelijkstelling van man en vrouw zou je verwachten dat mogelijkerwijs niet alle gedachten, maar in elk geval wél alle blikken in zakelijke en schoolse situaties geheel boven de gordel gericht worden. Die jongens van mij (jawel, ik heb het over de MTS in Tilburg in de jaren 90), die hebben toch hun hele leven op gemengde scholen gezeten? Van peuterspeelzaal via kleuterschool en basisschool tot de mavo en het VBO, overal waren toch meisjes aanwezig? In min of meer gelijke mate? En op al die scholen zijn toch zowel meneren als mevrouwen te werk gesteld?
Nou dan, wat zeur je nou? Waar gaat dit eigenlijk over?
Tja, sommige collega's hebben regelmatig stagiaires, van die frisse, opgewekte types die het onderwijs in willen. Begin november kwam er weer eentje binnenlopen, maar nu was het er één die er (opvallend) goed uitzag. En wat gebeurde? Complete opstoppingen in de gang waren het gevolg. Ik moest de jongens de eerste dagen van de gang af slépen, zo moeilijk viel het hun afscheid te nemen van deze ogentroost. Gefascineerd stonden ze in de tijd tussen de lessen, vóór ze bij mij naar binnen gingen, door de gangramen het lokaal aan de overkant in te gapen. Open monden. Weerloze blikken. Het duurde vijf minuten van mijn les voor iedereen rustig zat en erover uitgezeurd was. En toen ze een keer tijdens lestijd over de gang liep, stond mijn hele klas op de banken.
Af en toe droomde er nog wel eens eentje weg tijens de les. Zuchtend kwam ie weer tot zichzelf, als ik er om vroeg.
Tja, denkt u nu. Ach, pubers. Die zijn niet wijzer. En daar kunnen ze ook niks aan doen, want: hormonen. En: bushokjes. Die hele jeugdcultuur is nu eenmaal vergeven van seks. Met de jaren gaat dat wel over.
Oh ja, dacht u dat?
Dan hebt u de gesprekken in de docentenkamer niet gehoord.

zaterdag 15 januari 2011

6. Jacqueline bezighouden

Op maandagavond komen de Eerste Monteurs naar school. Of liever: ze zijn nog monteur, maar ze willen Eerste Monteur worden. Dat krijgen ze beter werk en verdienen ze meer. En dus komen ze twee avonden per week naar school voor vaktheorie en voor Maatschappelijke en Culturele Vorming. Van vaktheorie weet ik niets af, maar maatschappelijk en cultureel vormen, dat kan ik. Denkt de schoolleiding. De monteurs denken hier genuanceerder over.

’s Winters is het best zwaar. Om 6 uur op, om 7 uur naar je werk, de hele dag in koude ruwbouw rondlopen, door kruipruimten kruipen, op trappen klimmen, over steigers klauteren, kabelgoten hangen, kabels trekken, buizen bevestigen. Om 6 uur thuis. Om kwart voor zeven op school en dan drie uur in een warm lokaal zitten luisteren.

Af en toe sukkelt er dus eentje in slaap – ik kan me daar iets bij voorstellen. Maar het zijn leuke lessen, vind ik zelf. En je leert iets over een heel ander soort leven dan onze comfortabele betrekkingen waarin sprake is van sabbatsjaren en roostervrije dagdelen.

Zo had een baas een klus in Guernsey, kanaaleiland. Maar hij zat er een beetje mee: hoe kreeg hij de monteurs zover dat ze enkele weken in het buitenland gingen werken. Voor de kosten was het veruit het gunstigst als hij het in één keer kon afwerken, maar meer dan 3 weken van huis, dat is lang.

Hij stelde voor: 5 dagen achter elkaar 10 uur werken, dan 2 dagen vrij. Maar wel daar blijven.

Flauwekul, vonden de monteurs. 2 dagen vrij? Zonde van de tijd. 1 dag uitrusten is meer dan genoeg. Dus: 6 dagen achter elkaar werken, 10 uur per dag. Dan was de klus in krap 3 weken te doen. Op zaterdag terug.

Okay, zo doen we het. En dan krijgen jullie wat mij betreft een week vakantie.

Een week vakantie? Waar was dat nou weer voor nodig? Gewoon, zaterdagavond terug, zondag vrij en maandagmorgen weer aan het werk.

“Waarom zijn jullie zo fanatiek?” vroeg ik aan Tom, een forse, serieuze knaap. .

“Nou, dat zit zo. We zijn allemaal halverwege de 20 en we hebben verkering (“Oh, met elkaar zeker”, werpt de rest van de klas ertussen), en we willen gaan trouwen dus we kunnen het geld goed gebruiken. Dus we willen wel uren maken. Maar die week vakantie, dat doe ik wel.”

“Ja, mooi, even rustig aan”, begrijp ik hem verkeerd.

“Rustig aan? Niks rustig aan. Ik heb nog een zwarte klus liggen, dat kan ik mooi in die week afwerken, dat betaalt hartstikke goed.”

In de klas informeren de andere jongens pesterig bij Tom wat zijn verloofde daar van vindt, dat hij drie weken weg is. En of zij haar een beetje bezig zullen houden, die weken. Dat willen ze wel doen hoor.

“Jullie?”, grijnst Tom, twee meter lang en één meter breed. “Jacqueline bezig houden? Die lacht zich een breuk als ze jullie aan ziet komen. Die is mij gewend.”

zaterdag 8 januari 2011

5. 'Het doen'

‘Het doen’ (1994)

Voor iedereen zal wel gelden, dat je er meer over praat dan dat je 't doet, maar als je 16 parallelklassen hebt en als het onderwerp van de lessen "Sexualieit en relaties" is, dan neemt de wanverhouding tussen woord en daad groteske vormen aan. Van 's morgens vroeg tot laat in de middag praat ik over coitus en cohabitatie en alles wat daarbij te pas komt. Zo langzamerhand komt het me mijlenver de keel uit, met name de misverstanden: als ‘anaal’ iets met ‘anus’ te maken heeft, heeft ‘oraal’ dan iets te maken met ‘oor’?
Want terminologie, dat is een verhaal apart. Ik had tevoren nagedacht over welke woorden ik zou gebruiken en welke woorden ik zou toelaten dat de leerlingen gebruikten. Toch ging het mis.
Zo had ik, om gedoe over schuttingtaal uit de weg te hebben, de jongens de opdracht gegeven om een lijst te maken van alle synoniemen die ze kenden voor 'het doen', voor ‘mannelijk geslachtsorgaan’ en voor ‘vrouwelijk geslachtsorgaan’. In groepen van vier. En vervolgens liet ik uit elke groep de grootste branie het groepslijstje voorlezen.
Ha! Het loopt dit uit op blozende, stotterende pubers die mij smekend aankijken: moet dat echt?
Het vervolg was een klassegesprek waarom je in verschillende situaties verschillende termen gebruikt: waar heeft dat mee te maken? Met respect voor je gesprekspartner - daar kwamen ze zelf mee! En wat doen we dus in de les? We houden ons fatsoen, maar min of meer neutrale termen als ‘neuken’ gebruiken we wel.
Dat was voor mij overigens ook nieuw, om zoiets in de klas te zeggen en op bord te schrijven.
Enfin, het waren interessante aantekeningen geworden in al die multomappen, en ik bleek een leerling te hebben wiens moeder zijn vorderingen op school nauwkeurig bijhield en die dus zijn aantekeningen doornam, ook die van maatschappijleer.
Die avond kreeg een collega van me, mentor, een telefoontje waar hij van in de war raakte. Een moeder van een van de leerlingen uit zijn klas belde hem op, stelde zich voor, en ging verder met: "Ik wil u even een stukje voorlezen uit de aantekeningen maatschappijleer die onze Pieter vanmorgen gemaakt heeft. Bent u er klaar voor? Nou, hier staat dus:..." Waarop ze zonder stotteren die hele rij synoniemen voorlas.
De collega liet de hoorn uit z'n handen vallen en miste zo wat termen, maar de volgende dag had ik wat uit te leggen in de lerarenkamer. Het blijft linke soep, praten over 'het doen'.