Een proefwerkweek is leuk als afwisseling: af en toe surveilleren en tussendoor veel vrije uren om rond te lummelen. En dan komt de lading proefwerken en moet je aan het werk.
De eerste les na de proefwerkweek bespreek ik de opgaven in de klas. En och arme leerlingen. Want hoe gaat dat? Ze maken de opgaven in de hogedrukpan van de proefwerkweek. Ze doen er hun best op (best wel) maar ze voelen natuurlijk wel dat ze geen tien gescoord hebben. Twijfel knaagt: zou ’t wel voldoende zijn?
Vervolgens gaan ze zichzelf moed inspreken. ‘Het is vast wel een voldoende, want die eerste vraag die heb ik goed, dat weet ik zeker. De tweede niet, maar die zal wel niet zo zwaar tellen. En de derde, nou, misschien krijg ik toch wel wat punten voor dat antwoord, het was wel niet helemaal goed maar die vraag was ook niet zo duidelijk en in mijn aantekeningen stond...’
In de loop van de week verschuift het beeld van hun prestaties in de richting van: tamelijk rooskleurig. Daar gaat dan nog een weekeinde overheen waarin ze hun ouders overtuigen dat ze toch echt wel iets extra’s verdiend hebben, na zo’n proefwerkweek die ze best wel goed gemaakt hebben... en dan krijgen ze de punten terug.
De naakte waarheid staart hen in het gezicht waar de hele klas bij is. Dat is te veel, die klap is te hard. Daartegen nemen ze hun ego in bescherming. Schelden dus. Omdat ze mij niet rechtuit uit durven schelden (dat moet ik vooral zo houden), gaan ze tekeer tegen de zaak in het algemeen:
“Wè is dè na vur onzin?”
“Wenne flauwekul!”
“Wèn gesèk zeg.”
“Un nááivak, dè ist.”
Als de ergste stoom eraf is komen ze naar me toe. Nog steeds zo geëmotioneerd dat ze Tilburgs praten: “Eh, meneer, hier hè, waorum is dè nie goed?”
Ik ga daar dan niet meteen op in. Laat ze maar stoom afblazen. Ik blijf vriendelijk kijken en zeg dat ik het vraag voor vraag zal behandelen als ze allemaal weer op hun plaats zitten. En jawel, terug in de banken vergelijken ze hun enormiteiten met de antwoorden elders in de klas. En als ze dan zien dat anderen wel goede antwoorden en goede punten hebben voor dat seikproefwerk van dat naaivak, dan is de strijd wel gestreden.
Vervelend zijn alleen die leerlingen die om tienden van punten blijven zeuren, die van een viereneenhalf een vierkommazes willen maken door te dreigen en te jammeren. B2b zet die klanten op hun nummer:
“Hé, Van Bavel, moette oe punten wir bij elkaar jànken?”, klinkt het geïrriteerd door het lokaal.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten