Op maandag- en dinsdagavond komen de monteurs naar school: volwassen mannen met een volledige dagtaak die hun monteursdiploma willen halen omdat ze dan meer verdienen. Het vervelende is dat wat ze bij ons moeten leren (elektriciteitsleer) niet zoveel te maken heeft met wat ze alledag doen. Het werk dat ze opknappen leren ze in de praktijk, en daar leggen ze praktijkexamens over af met doeltreffende namen als: 'buis', 'kabel', ‘verdeelkasten', ‘metaalbewerken'.
Volgens de wet moeten de monteurs zich ook Maatschappelijk en Cultureel Kwalificeren - kortom, ze krijgen maatschappijleer. Het is niet het populairste vak, maar het is verplicht dus we maken er het beste van. Bij het nakijken van de schriftelijke opdrachten schrijft de wet voor dat ik let op Nederlandse taal en spelling. De grofste overtredingen streep ik dus aan.
De lessen verlopen vaak wat rommelig omdat de monteurs allerlei verhalen hebben over het echte leven, buiten, en af en toe luchten ze hun hart over het krentenwegen en de futiliteiten waar sommige leraren (ik dus) zich noodgedwongen mee bezig houden. De tegenstelling tussen het echte leven en de school is groot, soms.
De monteur. "Ja, het hangt er van af. Dan zit je met z' n tweeën tv te kijken en dan komt er een melding binnen. Balen! Nou, dan kijkt mijn maat naar mij: ga jij maar. Maar ik kijk naar hem: nee, ga jij maar. Ten slotte gaan we met z' n tweeën.
Hij kruipt er naar toe, ik blijf op afstand. Hij kijkt heel goed tot hij denkt dat hij weet wat het is, en dan kruipt hij terug. Hij zegt niks tegen me. Dan kruip ik er heen, ik kijk ook heel goed tot ik denk dat ik weet wat het is. Dan kruip ik terug, en zeg tegen hem wat ik denk. Als hij hetzelfde denkt zijn we er tamelijk zeker van dat het klopt, dat we weten wat het is.
Dan moet één van de twee er weer naar toe, voor de demontage. Maar ja, we zijn niet altijd met z'n tweeën. Dus dan kruip ik er alleen naar toe, scherfwerend pak aan, en sleep ik een touw achter me aan. Anderhalf uur ben je bezig met het blootleggen van zo'n ding. Nou, dan ligt ie bloot en dan maak je een foto en die bind je aan dat touw en die ander achter je, die trekt dat naar zich toe. Die geeft de foto aan de luitenant en die zoekt het op in zijn boekje en als hij dan weet wat het is, dan kun je aan het werk.
Dat duurt vaak ook wel twee uur, hoor. Maar soms kom je er niet achter wat het is of het lukt niet om hem te demonteren. Dan bind ik er driehonderd meter touw aan en kruip weg. Ik ga achter een bunker zitten op minstens vijftig meter afstand en begin te trekken en dan hoop je maar dat je 'boem' hoort, maar dat gebeurt niet altijd. Dan heb je hem een eindje weggetrokken en hij is nog niet ontploft - dat is niet leuk want dan moet je er weer heen.
Ik ben drie keer in Bosnië geweest, want dat betaalt goed hoor, je steekt dertigduizend gulden in je zak per trip. Maar nu kwamen die berichten over Eritrea, en ik keek eens om me heen en we waren nog maar met twee mineurs dus ik dacht, ikke niet. Want Eritrea, daar zit zulke linke troep in de grond, daar kun ie gewoon niks van zeggen. Daar pakken ze een bloempot en die doen ze vol kruit en dat stoppen ze in de grond, en daar mag jij dan aan gaan zitten pulken. Nou, mooi niet.
Dus ik ben naar de Firma Van Hees gestapt en heb gezegd dat wilde ik verdienen - dat vond ie goed. En de opleiding wordt betaald. Ook goed. Dus daarom zit ik nu hier en niet in Eritrea."
Deze wat verbeten monoloog werd uitgelokt doordat ik had zitten doorzagen over dat hij "ik vindt" had geschreven.
woensdag 27 april 2011
zaterdag 16 april 2011
19. Harder duwen, dan gaat ie er wel in
Er is een film van Fellini over een orkestrepetitie onder lastige, om niet te zeggen onwerkbare, omstandigheden: de repetitieruimte zit in een gebouw dat wordt afgebroken. De afbraak gaat door, de repetitie ook. Het geluid van de sloop komt dichterbij, maar de dirigent houdt vol. Het orkest vervalt geleidelijk tot anarchie, één van de musici gaat zelfs een vrouwelijke collega te lijf, onder de enorme vleugel.
Lesgeven aan de MTS in Tilburg leek een beetje op die orkestrepetitie, de afgelopen weken.
Tegenover onze school zijn ze begonnen met de nieuwbouw, maar een deel van de nieuwbouw moet aansluiten op de oudbouw (ons gebouw dus). Dus moet een deel van de oudbouw worden opengebroken om die aansluiting te kunnen maken. Voor de bouwvakkers is het geen probleem maar gewoon werk, maar voor ons werk is het een probleem. Wij geven les en dat is geen pretje.Zo moest de kiezel van ons dak. Daar wordt dan zo’n samengestelde slurf voor in stelling gebracht (aan elkaar gekoppelde plastic emmers zonder bodem) die uitmondt in een ijzeren container.
Kunt u zich voorstellen wat voor een kabaal dat maakt, als een kruiwagenlading kiezel twaalf meter valt in een ijzeren bak? Die bak stond recht onder het raam van mijn lokaal. De slurf liep op, pakweg, 40 cm van dat raam. Ik had het zo geregeld: achterin de klas zat een leerling die elke vijf minuten een bouwvakker (‘Marco’, wisten wij inmiddels van de luide conversatie op het dak) met een kruiwagen vol kiezels aan de dakrand zag verschijnen. Telkens als Marco zijn lading in de slurf mikte, stak die leerling zijn hand op. Ik hield dan abrupt mijn mond, midden in een zin. Na 30 tellen donderend geraas maakte ik mijn zin af.
Eventjes was dat leuk, vooral toen die jongen achterin de klas een vals signaal gaf en ik mijn mond hield midden in de zin en de klas vol spanning wachtte op het geraas en dat niet kwam: “Grapje meneer.”
Moet kunnen, maar ik raakte toch behoorlijk gestresst, net als de dirigent van Fellini.
‘Probe di ochestra’ eindigt ermee dat er een enorme sloopkogel door de zaalmuur beukt en de orkestleden in paniek wegvluchten. Zo ver is het niet gekomen, bij ons op de MTS. Bovendien gingen de lessen over Seks en relaties, dus ik kon rekenen op de aandacht van de leerlingen. Maar aan alle concentratie kwam echter een bulderend, hilarisch, ja ovationeel einde toen de klas, doodstil, een tekst zat te lezen over seks en neuken, terwijl Marco en zijn maat op het dak bezig waren de slurf opnieuw in stelling te brengen. Dwars door die geconcentreerde stilte klonk ineens van buitenaf:
“He, Marco, zit ie er nou in?”
“Nèè, ge moet un bietje harder duwen, dan gaat ie 'r wel in.”
Dat was in mei 1995. Juni 1996 trokken we in het nieuwe gebouw en was het ROC een feit.
Lesgeven aan de MTS in Tilburg leek een beetje op die orkestrepetitie, de afgelopen weken.
Tegenover onze school zijn ze begonnen met de nieuwbouw, maar een deel van de nieuwbouw moet aansluiten op de oudbouw (ons gebouw dus). Dus moet een deel van de oudbouw worden opengebroken om die aansluiting te kunnen maken. Voor de bouwvakkers is het geen probleem maar gewoon werk, maar voor ons werk is het een probleem. Wij geven les en dat is geen pretje.Zo moest de kiezel van ons dak. Daar wordt dan zo’n samengestelde slurf voor in stelling gebracht (aan elkaar gekoppelde plastic emmers zonder bodem) die uitmondt in een ijzeren container.
Kunt u zich voorstellen wat voor een kabaal dat maakt, als een kruiwagenlading kiezel twaalf meter valt in een ijzeren bak? Die bak stond recht onder het raam van mijn lokaal. De slurf liep op, pakweg, 40 cm van dat raam. Ik had het zo geregeld: achterin de klas zat een leerling die elke vijf minuten een bouwvakker (‘Marco’, wisten wij inmiddels van de luide conversatie op het dak) met een kruiwagen vol kiezels aan de dakrand zag verschijnen. Telkens als Marco zijn lading in de slurf mikte, stak die leerling zijn hand op. Ik hield dan abrupt mijn mond, midden in een zin. Na 30 tellen donderend geraas maakte ik mijn zin af.
Eventjes was dat leuk, vooral toen die jongen achterin de klas een vals signaal gaf en ik mijn mond hield midden in de zin en de klas vol spanning wachtte op het geraas en dat niet kwam: “Grapje meneer.”
Moet kunnen, maar ik raakte toch behoorlijk gestresst, net als de dirigent van Fellini.
‘Probe di ochestra’ eindigt ermee dat er een enorme sloopkogel door de zaalmuur beukt en de orkestleden in paniek wegvluchten. Zo ver is het niet gekomen, bij ons op de MTS. Bovendien gingen de lessen over Seks en relaties, dus ik kon rekenen op de aandacht van de leerlingen. Maar aan alle concentratie kwam echter een bulderend, hilarisch, ja ovationeel einde toen de klas, doodstil, een tekst zat te lezen over seks en neuken, terwijl Marco en zijn maat op het dak bezig waren de slurf opnieuw in stelling te brengen. Dwars door die geconcentreerde stilte klonk ineens van buitenaf:
“He, Marco, zit ie er nou in?”
“Nèè, ge moet un bietje harder duwen, dan gaat ie 'r wel in.”
Dat was in mei 1995. Juni 1996 trokken we in het nieuwe gebouw en was het ROC een feit.
zaterdag 9 april 2011
18. Het heeft 3 letters en het begint met een ´ l ´
De monteurs - BBL niveau 2 - komen 1 dag per week naar school voor 6 uur vakleer en 1 uur maatschappijleer. In de praktijk gaat dat anders, want deze groep werkt bij GTI en krijgt les op de bedrijfsschool in Oisterwijk. Daar gaat een vakdocent dus 1 dag per week heen. Maar ik ga niet elke week naar Oisterwijk fietsen voor 1 uur maatschappijleer. Dus?
Ze krijgen 3 weken lang 7 uur vaktheorie. De 4e week krijgen ze 3 uur vaktheorie en 4 uur maatschappijleer.
Ha! 4 uur maatschappijleer! De monteurs! Gelukkig kom ik van goede huize.
Om 11.00 uur kom ik het lokaal binnen en dan zijn ze blij me te zien: na 3 uur komt vaktheorie ze de keel uit. Dus gaan we welgemoed van start. Om 12.00 uur gaan we eten. Zij friet met fris en sigaretten buiten, ik boterhammen met thee in het kantoortje van de praktijkopleider.
Om 12.30 uur beginnen we weer. Met opdrachten die ze individueel moeten maken, uit hun maatschappijleerboek. (Dat ik zelf geschreven heb. Om gezeur over ‘boek vergeten’ te voorkomen, heeft de bedrijfsschool er 20 in de kast liggen.)
Ik deel boeken en opdrachten uit, de jongens gaan aan het werk. Dat gaat best goed, een tijdje. Ze werken met z’n tweeën, maken af en toe een grap of laten een scheet, maar ze blijven bezig met de opdrachten. Mijn gedrag is belangrijk: als ik voor de klas ga zitten om ze in de gaten te houden, gaan ze klooien. Wat ik doe is: door het lokaal slenteren. Ik raap propjes op, zet stoelen recht, kijk over schouders mee naar antwoorden, corrigeer schrijffouten, lees de gebruiksaanwijzing van de brandblusser, maan terloops onruststokers tot orde – kortom, echt werk.
Een half uur is het echte, absolute en totale maximum dat ze dit rustig kunnen. Dan is het op en moet ik met iets anders komen. Bijvoorbeeld de vragen bespreken (maar pas op, want als ik alle vragen bespreek en van goede antwoorden voorzie, en zij weten dat dat komt, dan doen ze niks tijdens het voor-zichzelf-werken) of nog iets uitleggen met aantekeningen erbij. Maar alles slijt, en we moeten nog tot half drie. Tot half drie! Goede raad is duur – maar de video is nabij.
Video! 4 uur maatschappijleer achter elkaar is niet door te komen (voor leerlingen noch docent) zonder audiovisuele hulpmiddelen. Dus ik zorg elke keer voor een videoband die iets met het onderwerp van de les te maken heeft. Ik ben de enige die dat criterium belangrijk vind, overigens. Het zal de jongens worst wezen waar het over gaat, als het maar beweegt. En elke les vraagt er wel eentje om ‘Een HP-film met veel SM’.
“Nee, die bewaar ik voor thuis”, zeg ik dan.
“Ja”, krijg ik terug, “Mijn vader houdt ook wel van een Harde Politiefilm met veel Spannende Momenten.”
Ja, flauw is soms leuk, maar de videobanden die bestemd zijn voor maatschappijleer kunnen maar matig boeien. Verkiezingen, parlement, vakbond… zelf kijk ik er ook niet voor mijn lol naar. Criminaliteit scoort beter. En ik heb een goeie band over racisme. Maar liever: een speelfilm. Zo gebruik ik ‘Pieter Daens’ bij de onderwerpen arbeid, loonstrijd, vakbonden, cao’s, etc. Bij veel onderwerpen, want het is een lange film en ik draai dan elke keer bijvoorbeeld 3 kwartier.
Dan hebben we nog een kwartier – en dat is geen enkel probleem. De sfeer is wat slaperig na de film, ik deel de laatste opdrachten uit en zeg dat ze die volgende keer af moeten hebben en dat ze daar de rest van de les aan kunnen werken. Wat ze hier niet afkrijgen doen ze thuis maar.
Dan is het tijd en mag ik naar huis. Zij ook – als ze snipperuren opnemen. Want dit is een bedrijf, ze worden betaald en als ze om half drie naar huis willen moeten ze twee snipperuren nemen.
Apart, toch?
PS
“He meneer, het heeft 3 letters en het begint met een ‘l’?”
“Les! Ha! U dacht iets anders he?”
Ze krijgen 3 weken lang 7 uur vaktheorie. De 4e week krijgen ze 3 uur vaktheorie en 4 uur maatschappijleer.
Ha! 4 uur maatschappijleer! De monteurs! Gelukkig kom ik van goede huize.
Om 11.00 uur kom ik het lokaal binnen en dan zijn ze blij me te zien: na 3 uur komt vaktheorie ze de keel uit. Dus gaan we welgemoed van start. Om 12.00 uur gaan we eten. Zij friet met fris en sigaretten buiten, ik boterhammen met thee in het kantoortje van de praktijkopleider.
Om 12.30 uur beginnen we weer. Met opdrachten die ze individueel moeten maken, uit hun maatschappijleerboek. (Dat ik zelf geschreven heb. Om gezeur over ‘boek vergeten’ te voorkomen, heeft de bedrijfsschool er 20 in de kast liggen.)
Ik deel boeken en opdrachten uit, de jongens gaan aan het werk. Dat gaat best goed, een tijdje. Ze werken met z’n tweeën, maken af en toe een grap of laten een scheet, maar ze blijven bezig met de opdrachten. Mijn gedrag is belangrijk: als ik voor de klas ga zitten om ze in de gaten te houden, gaan ze klooien. Wat ik doe is: door het lokaal slenteren. Ik raap propjes op, zet stoelen recht, kijk over schouders mee naar antwoorden, corrigeer schrijffouten, lees de gebruiksaanwijzing van de brandblusser, maan terloops onruststokers tot orde – kortom, echt werk.
Een half uur is het echte, absolute en totale maximum dat ze dit rustig kunnen. Dan is het op en moet ik met iets anders komen. Bijvoorbeeld de vragen bespreken (maar pas op, want als ik alle vragen bespreek en van goede antwoorden voorzie, en zij weten dat dat komt, dan doen ze niks tijdens het voor-zichzelf-werken) of nog iets uitleggen met aantekeningen erbij. Maar alles slijt, en we moeten nog tot half drie. Tot half drie! Goede raad is duur – maar de video is nabij.
Video! 4 uur maatschappijleer achter elkaar is niet door te komen (voor leerlingen noch docent) zonder audiovisuele hulpmiddelen. Dus ik zorg elke keer voor een videoband die iets met het onderwerp van de les te maken heeft. Ik ben de enige die dat criterium belangrijk vind, overigens. Het zal de jongens worst wezen waar het over gaat, als het maar beweegt. En elke les vraagt er wel eentje om ‘Een HP-film met veel SM’.
“Nee, die bewaar ik voor thuis”, zeg ik dan.
“Ja”, krijg ik terug, “Mijn vader houdt ook wel van een Harde Politiefilm met veel Spannende Momenten.”
Ja, flauw is soms leuk, maar de videobanden die bestemd zijn voor maatschappijleer kunnen maar matig boeien. Verkiezingen, parlement, vakbond… zelf kijk ik er ook niet voor mijn lol naar. Criminaliteit scoort beter. En ik heb een goeie band over racisme. Maar liever: een speelfilm. Zo gebruik ik ‘Pieter Daens’ bij de onderwerpen arbeid, loonstrijd, vakbonden, cao’s, etc. Bij veel onderwerpen, want het is een lange film en ik draai dan elke keer bijvoorbeeld 3 kwartier.
Dan hebben we nog een kwartier – en dat is geen enkel probleem. De sfeer is wat slaperig na de film, ik deel de laatste opdrachten uit en zeg dat ze die volgende keer af moeten hebben en dat ze daar de rest van de les aan kunnen werken. Wat ze hier niet afkrijgen doen ze thuis maar.
Dan is het tijd en mag ik naar huis. Zij ook – als ze snipperuren opnemen. Want dit is een bedrijf, ze worden betaald en als ze om half drie naar huis willen moeten ze twee snipperuren nemen.
Apart, toch?
PS
“He meneer, het heeft 3 letters en het begint met een ‘l’?”
“Les! Ha! U dacht iets anders he?”
zaterdag 2 april 2011
18. Men and boys: the difference is the price of their toys
Het is de eerste zaterdag van de grote vakantie en om 08.00 uur meld ik bij de ingang van vliegbasis Gilze-Rijen. Daar staat al een menigte, maar ik heb een pasje dus voor mij doen ze de poort open. Nonchalant fluitend fiets ik tussen geparkeerde bommenwerpers, straaljagers, awacs en helicopters naar shelter 614. De bunker is somber, maar gelukkig hebben we genoeg licht in de ROC-stand. Helaas hebben we niets dat beweegt en geluid maakt. Ik bedoel: iets elektronisch, want zelf bewegen we natuurlijk wel en we maken ook geluid, maar de andere stands (Hogeschool Haarlem, Hogeschool Amsterdam, Standard Aero, TU Delft) hebben beeldschermen waarop je bijvoorbeeld ‘flight simulator’ kunt doen. Ideaal om jongetjespubliek te trekken. En op de Open Dag van de luchtmacht komen veel jongetjes. Jongetjes van 8 en jongetjes van 80 en alles er tussenin.
Veel van die jongetjes hebben gekke petjes op: vechtpetjes, baseball petjes van alle denkbare squadrons en eenheden. Onder die petjes staan hun gezichten opgewonden van dat mooie spul van de luchtmacht, en onder die gezichten dragen ze fantasievolle uitrustingen (speelgoedkleren): quasi militaire bodywarmers met veel zakken en zakjes, t-shirts met strijdlustige opschiften en beeltenissen, gevechtsbroeken. Veel laarzen ook, of halfhoge schoenen.
Af en toe komt er een groepje rustige mannen langs in kale, geheel van fantasie gespeende overalls. Ze worden met ontzag bekeken door de speelgoedklerendragers: dat zijn echte, de vliegers van een of ander stuntteam.
Ik ben natuurlijk ook een jongetje en ik vind al die spullen ook mooi, maar ik ben vandaag on duty dus ik draag een keurig pak en een fleurige stropdas. In het kader van promotie van onze luchtvaartopleidingen staan we op de Open Dag van de Koninklijke Luchtmacht in Gilze-Rijen. Wat later komen onze stewardessen in een fraai, blauwe pakje het roc-team versterken. Ja, dat is mooi, stewardessen, dat trekt ook jongetjes dus het loopt best goed.
Hoe gaat het dan verder op zo’n dag? Ach, z’n gangetje. Komt er een meisje langs dan roep je: opleiding tot stewardess – niks voor jou? Komt er een jongen langs dan roep je: Luchtvaarttechniek, hartstikke leuk joh. Je verveelt je wat, je loopt eens de hal uit de open lucht in. Er komen collega’s langs, dat is leuk. En elke keer als je een haffel pepermuntjes over de tafel uitstrooit duiken uit het niets bendes jongetjes van een jaar of tien op en graaien die weer van tafel – in een mum van tijd zijn de versnaperingen verdwenen.
Drie keer probeer ik ‘luchtvaarttechniek’ te slijten aan jongens die al bij ons op school zitten: luchtvaartleerlingen zijn natuurlijk zeer geïnteresseerd in de luchtmacht. Er komt iemand langs die generatoren aan onze school wil schenken om aan te sleutelen. Er komt iemand langs van Schiphol: die wil met ons samenwerken maar dan moeten we wel voldoen aan de JAR 137.
Moe fiets ik om zes uur naar huis. Voldaan? Ha, wat heet? Hartstikke trots ben ik. De Fokker Luchtvaart School stond er. Standard Aero. Hogeschool Haarlem. Stork Aviation. Hogeschool Amsterdam. TU Delft. TNO. Het Nederlands Luchtvaartcollege. En daartussen: ‘ROC Midden-Brabant. Luchtvaartopleidingen.’
Zegt het voort, zegt het voort.
Gerard Sanberg
In het kader van 'het oude beroepsonderwijs' haal ik hier herinneringen op aan de RK MTS in Tilburg.
Veel van die jongetjes hebben gekke petjes op: vechtpetjes, baseball petjes van alle denkbare squadrons en eenheden. Onder die petjes staan hun gezichten opgewonden van dat mooie spul van de luchtmacht, en onder die gezichten dragen ze fantasievolle uitrustingen (speelgoedkleren): quasi militaire bodywarmers met veel zakken en zakjes, t-shirts met strijdlustige opschiften en beeltenissen, gevechtsbroeken. Veel laarzen ook, of halfhoge schoenen.
Af en toe komt er een groepje rustige mannen langs in kale, geheel van fantasie gespeende overalls. Ze worden met ontzag bekeken door de speelgoedklerendragers: dat zijn echte, de vliegers van een of ander stuntteam.
Ik ben natuurlijk ook een jongetje en ik vind al die spullen ook mooi, maar ik ben vandaag on duty dus ik draag een keurig pak en een fleurige stropdas. In het kader van promotie van onze luchtvaartopleidingen staan we op de Open Dag van de Koninklijke Luchtmacht in Gilze-Rijen. Wat later komen onze stewardessen in een fraai, blauwe pakje het roc-team versterken. Ja, dat is mooi, stewardessen, dat trekt ook jongetjes dus het loopt best goed.
Hoe gaat het dan verder op zo’n dag? Ach, z’n gangetje. Komt er een meisje langs dan roep je: opleiding tot stewardess – niks voor jou? Komt er een jongen langs dan roep je: Luchtvaarttechniek, hartstikke leuk joh. Je verveelt je wat, je loopt eens de hal uit de open lucht in. Er komen collega’s langs, dat is leuk. En elke keer als je een haffel pepermuntjes over de tafel uitstrooit duiken uit het niets bendes jongetjes van een jaar of tien op en graaien die weer van tafel – in een mum van tijd zijn de versnaperingen verdwenen.
Drie keer probeer ik ‘luchtvaarttechniek’ te slijten aan jongens die al bij ons op school zitten: luchtvaartleerlingen zijn natuurlijk zeer geïnteresseerd in de luchtmacht. Er komt iemand langs die generatoren aan onze school wil schenken om aan te sleutelen. Er komt iemand langs van Schiphol: die wil met ons samenwerken maar dan moeten we wel voldoen aan de JAR 137.
Moe fiets ik om zes uur naar huis. Voldaan? Ha, wat heet? Hartstikke trots ben ik. De Fokker Luchtvaart School stond er. Standard Aero. Hogeschool Haarlem. Stork Aviation. Hogeschool Amsterdam. TU Delft. TNO. Het Nederlands Luchtvaartcollege. En daartussen: ‘ROC Midden-Brabant. Luchtvaartopleidingen.’
Zegt het voort, zegt het voort.
Gerard Sanberg
In het kader van 'het oude beroepsonderwijs' haal ik hier herinneringen op aan de RK MTS in Tilburg.
Abonneren op:
Posts (Atom)