zaterdag 24 september 2011

29. Geen Nederlands

Van tijd tot tijd geef ik de leerlingen stof op om te leren en daar krijgen ze dan een proefwerk over. In mijn eerste onderwijsjaren streepte ik in de antwoorden van de leerlingen ook de spel- en grammaticafouten aan. Ik rekende dat niet mee (er zijn grenzen), maar, dacht ik, je kunt ze toch niet gewoon laten staan!

Dat vonden de leerlingen flauw. "He meneer, het is toch geen Nederlands."
"Nee", was steevast mijn antwoord, "Dat klopt. Daarom streep ik het aan: 'gebiet' met een 't' is geen Nederlands."
Ook flauw maar je moet wat.

Inmiddels ben ik ermee opgehouden want er is geen beginnen aan. Niet dat het nu zo hopeloos slecht is want eigenlijk valt het best mee, maar bepaalde fouten zijn zo hardnekkig, die krijg je er gewoon niet uit. Dus: laat maar. Het is geen Nederlands, tenslotte.
Maar evengoed kun je je ogen er niet voor sluiten want je moet die proefwerken nu eenmaal lezen. En de laatste jaren valt het me op, dat er nieuwe fouten opduiken, hele typische fouten die door veel leerlingen gemaakt worden.

Héél vroeger was 'oktober' een moeilijke maand, want dat moest met een 'c'. Lang geleden is dat veranderd en 'oktober' wordt al weer tientallen jaren met een 'k' geschreven. Zo niet door een toenemend aantal MTS'ers. Steeds meer leerlingen schrijven oktober met een 'c'. october. En 'vakantie', ook zo'n geval. Dat schrijf je al jaren met een 'k' en toch tref ik het in steeds meer proefwerken met een 'c' aan: vacantie.

Als je er iets van zegt, geloven ze je niet eens altijd, heb ik gemerkt. Tja, het zal wel aan hun woordbeeld liggen. Ze krijgen zo vaak 'october' onder ogen, en 'vacation', dat het zich verkeerd vastzet, in die trage, grijze massa tussen hun oren. En als het er eenmaal verkeerd in zit, is er geen beginnen meer aan.
Maar we houden vol; tenslotte worden we ervoor betaald. En het argument: "Het is toch geen Nederlands, meneer" , beantwoord ik nu met: "Nee, dat klopt, het is Engels." Maar ook dat spreekt de leerlingen niet aan.

Herinneringen aan lessen maatschappijleer aan de RKMTS in tilburg. Deze is van 1995.

zondag 18 september 2011

28. Het sperma van Pino

"Hé meneer, hoe heet het sperma van Pino7"
Rob roept de vraag hard door de les en onderbreekt zo mijn betoog over de doodstraf, maar dat is niets nieuws want dat doet hij altijd. Rob is een beweeglijk manneke, om het vriendelijk te zeggen. Zelf zei hij het zo, toen ik hem eens mijn excuses maakte omdat ik hem had uitgescholden:
"Ach meneer, dat geeft niks hoor. Ik zou zelf hartstikke gek worden als ik les moest geven aan zo'n mafkees als ik."
Toch is Rob geen mafkees. Hij heeft adhd en hij moet dus eigenlijk ritalin slikken, maar dat doet hij niet graag want dat is niet gezond.

"Hé meneer, hoe heet het sperma van Pino7"
De vraag overvalt me en de andere monteurs weten ook even geen antwoord, dus er valt een mooie stilte waar Rob zenuwachtig van wordt. Hij kijkt indringend rond. "Nou, nou", dringt hij aan. “Hoe heet het sperma van Pino7"
“Ja, dat weet ik niet", mompelt een van de jongens die hij aankijkt.

Dit is de laatste les aan de monteurs, maar op een andere manier dan andere jaren. Dit is mijn laatste les ever. Ik word stafmedewerker communicatie - nooit meer lesgeven dus! Help! Wil ik dat wel? Lesgeven is schitterend werk en 'leraar' is ook een mooie titel, heb ik altijd gevonden. Wat doe je? Ik ben leraar. Heb ik altijd met trots geantwoord. Een eretitel, toch? En goed betaald bovendien. Maar ik kreeg een briefje van PZ dat ik 25 jaar in het onderwijs zit en dat is toch wel een goede reden om te stoppen, vind ik. En dus zeg ik enigszins weemoedig mijn klassen vaarwel, in het besef dat de eerstejaars monteurs volgend schooljaar een andere mcv-docent krijgen en dat ze daar ook weer plezier mee hebben.

"Hé meneer, hoe heet het sperma van Pino7"
En dwars door de mooie stilte geeft Rob zelf het antwoord: "Maanzaad!"
De stilte blijft hangen: wij snappen het niet. En Rob krijgt een rooie kop en stottert opeens:
"Oh nee, sesamzaad!"

De hele kals schudt van het lachen, dit is te leuk voor woorden. Rob lacht een beetje melig mee. Als de klas bedaard is roept hij hard: “He meneer, wanneer ...."

Jammer, nooit meer monteurshumor.

Gerard Sanberg

In het kader van 'het oude beroepsonderwijs' haal ik hier herinneringen op aan mijn lesen maatschappijleer op de RKMTS in Tilburg.
Deze dateert van wat later, 2000.

zondag 26 juni 2011

27. Onder de klep

De wet van behoud van ellende: deze kwestie speelde in 1997 al enige jaren -en deze week heb ik een schoolgids gemaakt waarin opnieuw het verbod op petjes in de les staat, compleet met sancties.

En petjes vormen een heikel onderwerp, in de docentenkamer. Mogen ze op, op school? Van mij wel. Persoonlijke vrijheid is me dierbaar, want ik herinner me nog levendig dat de rector van de HBS dreigde mij van school te sturen als ik niet naar de kapper ging.
Ik ben wél tegen petjes in de klas. Het is ongemanierd: niet netjes en geen gezicht. Dat laatste trouwens ook letterlijk: je ziet het gezicht van je leerling niet, onder die klep. Dat is mijn grootste bezwaar, maar ja: het zijn allemaal mijn bezwaren. Ik breng ze regelmatig naar voren, maar als een leerling volhardt, als hij volhoudt dat het hem allemaal niets doet en dat hij zich niet wenst te voegen naar mijn smaak - zo zij het.
Die petjes, trouwens, zijn voor sommige leerlingen echt belangrijk. Ik heb er één in de klas die ze bestelt, van ver weg, omdat de petjes waar het hem om gaat 'in dit achterlijke gat niet te krijgen zijn'. Hij betaalt er tientallen guldens voor, maar dat heeft hij er graag voor over - als het maar de pet is die hij wilde hebben. Laatst had-ie een petje op waar de rafels bij hingen, van de klep af.
"Kees", zei ik, "Wat zie je eruit. De rafels hangen aan je pet.”
"Ja”, antwoordde hij gevleid, "Ik heb een nieuwe in bestelling maar die is er nog niet, dus het moet zo maar even."
Een klasgenoot die hem dat hoorde zeggen, rukte onder het uitroepen van "Wat een vies rafelig petje, weg ermee", de pet van Kees zijn hoofd.
Ach heden! Ontreddering en verlegenheid stonden op Kees' zijn gezicht te lezen.
"Verrek Kees", zei ik, alles nog een graadje erger makend, "Nou heb ik je al zes maanden in de klas en dit is de eerste keer dat ik je haren zie. Leuk hoor."
Ja, dat was natuurlijk gemeen want de klas lag dubbel van het lachen. Kees bloosde tot achter zijn oren en ging met een wilde kreet achter zijn gerafelde pet aan.
Twee weken geleden is het nieuwe exemplaar gearriveerd, en ik moet zeggen (ik heb dat ook gezegd): het is er eentje zoals ik nog nooit gezien heb. Het geeft een eigenaardig effect, want recht boven de klep, op het front, staat een gezicht afgebeeld. Daarmee ondervangt Kees mijn voornaamste bezwaar. Als ik nu tegen hem zeg, laat je gezicht eens zien, hoeft hij maar op zijn pet te wijzen. En dat doet hij ook.

Herinneringen aan de MTS in Tilburg. Deze dateert uit 1997

zaterdag 18 juni 2011

26. Plint Eastwood

Het is de laatste les voor het examen en er moet nog een heleboel vervelende stof doorheen. Dat is dus een probleem - voor mij, welteverstaan, want de monteurs weten dat ik een probleem heb als er veel onvoldoendes vallen voor maatschappijleer. Dus ik doe mijn best om de stof begrijpelijk en boeiend uit te leggen en spoor hen aan hun opdrachten te maken en in te leveren en straks de stof 'te kennen'. Ach, het is mijn werk en vol goede moed houd ik een betoog over de CAO en wat het betekent als die 'algemeen verbindend' wordt verklaard. De monteurs luisteren (af en toe), maken aantekeningen (idem), stellen vragen, gapen (frequent), hangen in hun stoelen, frommelen in hun papieren, krabben zich achter de oren, spelen met pennen, gummen, potloden, pennenzakjes, combinatietangen en papiersnippers. Ook boeren ze van tijd tot tijd, en opeens heeft er eentje geruft. Hilariteit. Boosdoener Remco zit op de achterste bank, zijn maten vluchten naar voren. Ik drijf ze terug - en deins verschrikt achteruit als ik in de buurt van Remco kom en verontrustende putlucht gewaarword.
"Wie is de minister van sociale zaken?", vraag ik, om het maar weer eens ergens anders over te hebben. Ik krijg geen antwoord maar een tegenvraag:
"He meneer, het zit onder tegen de muur en het kan goed schieten?
- Plint Eastwood", antwoordt hij zelf triomfantelijk.
De groep reageert lauw, maar ik schiet voluit in de lach. De monteurs kijken verbaasd. Zo leuk was het nou ook weer niet want het ging niet over seks of scheten of boeren. Of drank.
Ik hervat mijn betoog maar het hek is van de dam. Als ik dat zo leuk vind, weten zij er nog wel meer.
"Het is lang en dun en kan goed schieten?", reageert Ruud. "Lint Eastwood!"
Ja, dat is ook leuk. En de anderen pijnigen hun hersens. In gedreven samenspel komen we tot het volgende rijtje:
Het geeft cadeautjes en het kan goed schieten? Sint Eastwood
Is een bloem en ... - Hyacint Eastwood
Knarst en ... - Grint eastwood
Is ingewikkeld en ... - Labyrint Eastwood (He, van de monteurs!)
Waait en ... - Wind Eastwood. Nee, Remco Eastwood.
Is drinkbaar en ... - Pint Eastwood.
Is snel en ... - Sprint Eastwood
Ziet niks en . .. - Blind Eastwood
Ruikt lekker en ... - Mint Eastwood
Drukt af en ... - Print Eastwood
Wijst aan en ... - Hint Eastwood
Is een aardappel en ... - Bint Eastwood
Is kwijt en ... - Vind Eastwood
Jong en ... - Kind Eastwood
Ik bedenk ook nog, als laatste voor de pauze:
Het is oud en kan goed schieten?
Daar komen ze niet op. Clint Eastwood natuurlijk!

Dan is het pauze. Daarna een video. Helaas heb ik geen western met meneer Eastwood bij me.

zondag 12 juni 2011

25. Het begint met een ‘v ‘ en het eindigt op ‘agina’

“Meneer, wat begint met een ‘v’ en eindigt op ‘agina’?”
De jongen die die vraag stelt zit op de eerste bank en kijkt me verwachtingsvol aan. Ik volg hem even niet want hij stelt de vraag terwijl ik middenin een vurig betoog ben over Pim Fortuyn. De klas luisterde geboeid – nou ja, in elk geval waren ze allemaal stil – en dan ineens zo'n vraag.
“Voorpagina”, geeft hij zelf triomfantelijk het antwoord. “Ha! U dacht iets anders hé?”
Ik dacht dat hij naar mijn betoog luisterde en misschien was dat ook wel zo, maar opeens kwam deze gedachte langs en het is onder monteurs niet de gewoonte om een aardige joke, een gevatte opmerking of een platte mop voor je te houden, alleen maar omdat er iemand anders aan het woord is. Niks uitstel of wachten op het goede moment. Dit is het goede moment: nu.
Toen ik pas les gaf aan monteurs dacht ik dat het sabotage was en werd ik boos. Daarvan waren ze niet onder de indruk, maar vooral: ze begrepen het niet.
Wat was er aan de hand?
Ha, u weet het, want u bent een professional met vakdidactische en pedagogische scholing. Ja, juist: spanningsboog! Ze kunnen gewoon niet lang geconcentreerd luisteren. Hoe spannender het verhaal is hoe korter, denk ik weleens, want de spanning moet eruit. Hup, een grap, een scheet, een boer, een opmerking. Hoeft niet te gaan over het onderwerp van de les, liever niet zelfs, een volkomen andere associatie even er tussendoor. De hele klas lacht, niet omdat het nou zo’n leuke grap is maar vanwege de spanning die eruit moet. Ha! Voorpagina! Leuk!
Ik lach ook. Er komt nog een grap achteraan, ergens achter uit de klas:
“Ik dacht ook iets anders!”
“Oh ja, wat dan?”
”Ja, kut.”
“Kut? Dat begint toch niet met een v.”
Daar lach ik ook om, maar ondertussen loer ik op een kans om terug te komen op Fortuyn Dat lukt, want dan zegt een ander: “Ha, Pimmetje moet daar allemaal niks van hebben.” En dan gaat de les gewoon verder want een aantal blijkt niet te weten dat Fortuyn van de herenliefde is.
Als je maatschappijleer geeft is Fortuyn een geschenk uit de hemel, werkelijk waar. Werd ik vroeger geconfronteerd met een collectieve walging als ik aankondigde dat we het over ‘polletiek’ gingen hebben, de afgelopen weken riepen ze bij binnenkomen al om uitleg over Fortuyn, en waren ze de koning te rijk toen ik die wel wilde geven.
Dat was makkelijk scoren.
Dat is een deel van de verklaring voor de populariteit van Fortuyn: hij surft op de afkeer van ‘polletiek’ bij veel mensen. Vooral omdat er niets opgelost wordt, zo blijkt in de klas.
“Ze lossen niks op!”
Jongens, zeg ik, dat is niet waar. Wel! Niet!
Ha, lesgeven is best leuk. De verontwaardiging stijgt ten top als ik zeg dat ik niets begrijp van het schijnbaar acute crisisbewustzijn bij veel mensen, omdat het nog nooit in de geschiedenis van Nederland zo goed gegaan is in dit land en het echte probleem van de ‘polletiek’ is dat er in Nederland geen echte problemen meer zijn - volgens mij dan.
De klas slooft zich uit om mij alle problemen die zij maar ooit ergens gehoord hebben, voor de voeten te gooien. Het is een geëngageerde drukte van jewelste, totdat degene die met de auto is en in de middagpauze altijd naar de friettent rijdt, ineens iets anders bedenkt:
“Wat moeten jullie direct van de fritestent?”
Want zo gaat dat, en ik laat niet na hen erop te wijzen (terwijl ze bestellingen opsommen): ze verdienen 600 euro schoon in de maand terwijl ze 3 dagen per week werken, het bedrijf betaalt hun opleiding en ze wonen bij hun ouders. Dus krijgen ze boterhammen mee om weg te gooien en kopen ze collectief frites, tussen de middag. Dat gaan ze in de auto halen en terwijl ze onderweg zijn geven de achterblijvers nog bestellingen door via de mobieltjes.
”He meneer, Johnny heeft een nieuw mobieltje, hebt u die al gezien?”
Bewijst dat mijn gelijk dat het goed gaat? Welnee. Doe mij maar een frikandel speciaal dan.

2002

zondag 29 mei 2011

24. Overleven zonder friet

Ik weet niet hoe uw schooljaar begon, maar ik moest met twee klassen eerstejaars procestechniek op overlevingskamp in de Ardennen. Daar leer je een hoop van, van zo'n barre tocht. Zo weet ik nu dat mijn leerlingen zich hoofdzakelijk in leven houden met frites en frikadellen. En omdat ze die niet kregen, bleven ze erom roepen ("Meneheer, mogen wij nu naar het dorp naar een fritestent?").
Omdat het eten primitief was (je moest roosteren op zelfgemaakte kampvuur) en wc’s afwezig (je moest hurken op een eenzaam plekje in het bos), gingen de gesprekken al snel alleen nog maar over hoe aan fatsoenlijk eten ( = frites) te komen, en hoe van de verteerde resten af te geraken (is hier een wc?).
Toen ik mijn groep de tweede dag vertelde dat op de plek van de volgende overnachting een wc was, verdubbelden de leerlingen het tempo ("Voor die plee staat een rij van anderhalf uur als we er niet als eerste zijn”)
Groot was hun ontsteltenis toen er weliswaar een toilet was, maar naar klassiek Frans ontwerp:
"Maar meneer, daar moet je staande op schijten!”
"Nee, doe niet zo dom", antwoordde ik geduldig. "Je moet hurken."
Ze keken me aan alsof ik ontoerekeningsvatbaar was.
Zelf miste ik de koffie het meest, na één dag zonder.

Omdat het goed weer was bleek slapen onder de blote hemel een fluitje van een cent. We spanden een touwtje tussen twee bomen, gooiden daar een lap plastic overheen en legden onze slaapzak er onder. Het viel niet mee om je erin te wurmen, in het stikkedonker, maar als je eenmaal lag en je had je slaapzak goed dichtgetrokken, sliep je heerlijk.

Wat leer je nog meer?
"Dat wij eigenlijk veel te luuks leven" vond mijn collega, maar daar was ik het niet mee eens. Hoe langer het duurde, hoe meer ik al die luxe thuis op prijs begon te stellen. Tafels en stoelen, gloeilampen, zachte bedden, wastafels, ligbaden: ik heb er zeer naar verlangd. Dat lopen dat we deden (en waar de leerlingen zo over klaagden "Tjezus, meneer, vijftien kilometer! Met rugzak? Dat meent u niet!") dat stelde niet zo veel voor. Daar werd je gewoon lekker moe van zodat je goed sliep. Maar dat je na die 15 kilometer lopen niet lekker op een terras kon gaan zitten, dat je daarentegen een onderkomen moest gaan maken en hout moest verzamelen, dat je eten moest roosteren, staande moest eten, de rommel opruimen, gehurkt en in het donker 'ter wc' gaan, dat je jezelf niet kon wassen en in het donker in een koude slaapzak moest kruipen – dat hakte er in. Dat was afzien, en dan heeft het nog niet eens geregend.
Het vermakelijkste moment? Aan het einde, toen we het dorp naderden waar we de hele dag al naartoe gesjokt hadden en de eerste leerlingen de bebouwing in het oog kregen: een groot pand met het opschrift: ‘friterie’. Ze begonnen zowaar te rennen, ondanks rugzakken en moede voeten. Eindelijk! Beschaving! Frites!

Gerard sanberg
(in het kader van Het Oude Beroepsonderwijs herinneringen aan de RK MTS in Tilburg. Dit verhaal dateert van 1992)

maandag 23 mei 2011

23. Vechten in de les

Ik sta ruim 20 jaar voor de klas - hoeveel leerlingen heb ik er in de loop van de tijd uitgestuurd? Vingers van één hand? Nee, meer. Maar niet veel meer. Ik heb er een hekel aan leerlingen de les uit te sturen, maar soms kan het niet anders.
Zes weken geleden heb ik een leerling er voor de tweede keer uitgestuurd – dat is wel degelijk een record. Maar ik heb er geen spijt van want het was een openbaring om Bart aan te horen in zijn verdediging. Het verschil met toen ik hem er voor de eerste keer uitstuurde had niet groter kunnen zijn, maar dat is dan ook meer dan een jaar geleden.
Iedereen (ouders, onderwijzers, maatschappelijk werkers, schoolbegeleidingsdienst, hulpverlening, decaan, mentor, coördinator mentoraat) was het er al jaren over eens dat Bart een moeilijke leerling was, eigenlijk nauwelijks te handhaven in gewoon, klassikaal onderwijs. En bij een vak als maatschappijleer, waar hij geen enkele interesse in had, was dat allemaal nog een graadje erger.
Het zat er dus al tijden aan te komen maar het gesprek na de les, in tegenwoordigheid van de werkmeester (we praten over de monteurs van GTI die les krijgen op de bedrijfsschool in Oisterwijk), schoot niet op. Het was duidelijk dat Bart veel van deze gesprekken had meegemaakt, en dat wij hem niets nieuws te melden hadden. Blablabla grenzen blablabla kansen krijgen blablabla les verstoren blablabla ook voor andere leerlingen blabla. Blabla blabla blabla.
Bart hing slungelig tegen een bureau, was met moeite te bewegen zijn petje af te zetten, wilde me niet aankijken, mompelde en gromde wat, was nauwelijks te verstaan en dat interesseerde hem ook niks. Qua lichaamstaal was de boodschap duidelijk: ik heb hier geen boodschap aan.
In de les verminderde de overlast daarna slechts marginaal, het bleef tobben, het hele schooljaar lang, maar ja, je wordt ervoor betaald.
Het tweede jaar, dit schooljaar dus, verschilde niet waarneembaar van het eerste, dus drie weken geleden moest hij er opnieuw uit: ik zag hem aan de stoelpoot van een medeleerling trekken, met de bedoeling hem om te kieperen. Het mislukte, maar ik was echt kwaad en stuurde hem weg. Daarop volgde een moeizaam proces van tergend langzaam overeind komen, rugzak inpakken, dreigen die weer uit te pakken, totdat ik de rugzak van zijn tafel pakte en door de open deur over een afstand van een meter of vijf, zes de gang op smeet. Dat maakte indruk – weg was hij.
Maar het gesprek na de les was een openbaring – die enkele weken later paradoxaal genoeg werd bevestigd door een vechtpartij in de les.
Tijdens het gesprek zat Bart alert in zijn stoel. Hij lette goed op wat ik te berde bracht en zette daar zijn eigen argumenten tegenover. Hij deed dus precies wat ik hem wilde leren: luisteren, verwerken, tegenargumenten bedenken en die op de juiste ogenblikken uiten. Nadenken en redeneren. Prachtig. Alleen was hij het niet met me eens (“Ik snap wel dat dat in uw ogen een grens overschrijden was, wat ik deed, maar mijn grens ligt dus gewoon een eindje verder.”), dat was nou wel weer jammer. Maar inwendig zat ik hem te bewonderen: hij was groot geworden. Hij keek me rustig aan, wachtte tot ik uitgepraat was (dat alleen al!) en bracht vervolgens gewoon zijn eigen visie op de zaak naar voren. In niet eens zo erg platte volzinnen.
En die vechtpartij dan? Dat ging zo. Het was een paar weken na de indrukwekkende demonstratie van volwassen worden en de les liep als een trein, echt waar. We waren al twee uur bezig (denk erom, deze sessies duren drie klokuren) toen ineens Bart zich omdraaide en zijn achterbuurman te lijf ging.
Ik had het niet aan zien komen maar was er snel genoeg bij om te voorkomen dat ze echt slaags raakten. Bart deed drie dingen: hij draaide zich om en duwde de tafel achter hem hard weg zodat zijn achterbuurman die in zijn maag kreeg. Vervolgens graaide hij diens rekenmachientje van tafel en gooide dat naar zijn hoofd. Mis. Met zijn andere hand greep hij de multomap en gooide opnieuw. Raak. Midden in zijn gezicht.
Hij wilde overeind komen om erop te slaan maar op dat moment was ik erbij en drukte hem bij zijn schouders omlaag in zijn stoel. Ik voelde de woede door zijn trui heen. De achterbuurman bloedde behoorlijk uit een wond vlak naast zijn neus, waar de scherpe kant van de multomap hem had geraakt. Hij keek verlegen weg. Bart liet zich door mij tegenhouden, besefte wat ie gedaan had en kreeg een vuurrode kop. Hij stotterde van woede, hij moest bijna janken zo kwaad was hij: “Godverdomme, godverdomme, stomme lul, godverdomme, meneer, het ging zo goed, maar hij zit maar te klooien met die tafel tegen mijn stoel aan, maar godverdomme, u hebt de hele les nog niks tegen me hoeven zeggen, en hij, en hij ….” Machteloze woede. Maar ik realiseerde me dat hij gelijk had: ik had hem van de hele les nog niet 1 keer vermanend toegesproken. En ik snapte wat er aan de hand was: de achterbuurman had Bart op zitten naaien in een poging wat kabaal op zijn kosten te krijgen.
Ik kalmeerde Bart (“Bart, af!” Daar moet ie om lachen en de spanning vloeit weg uit zijn schouders), stuurde de achterbuurman naar de wc om zijn gezicht te wassen en ging zonder veel omhaal door met de les. Pas een uur later, na de les, praatten we er over na. Zonder de werkmeester dit keer, gewoon onder elkaar. Dan is alle emotie weggevloeid en haalde iedereen er zijn schouders over op. Kan gebeuren.

in het kader van Het Oude Beroepsonderwijs haal ik hier herinngen op aan de mts. Dit is al van wat later, 2002.