“Meneer, wat begint met een ‘v’ en eindigt op ‘agina’?”
De jongen die die vraag stelt zit op de eerste bank en kijkt me verwachtingsvol aan. Ik volg hem even niet want hij stelt de vraag terwijl ik middenin een vurig betoog ben over Pim Fortuyn. De klas luisterde geboeid – nou ja, in elk geval waren ze allemaal stil – en dan ineens zo'n vraag.
“Voorpagina”, geeft hij zelf triomfantelijk het antwoord. “Ha! U dacht iets anders hé?”
Ik dacht dat hij naar mijn betoog luisterde en misschien was dat ook wel zo, maar opeens kwam deze gedachte langs en het is onder monteurs niet de gewoonte om een aardige joke, een gevatte opmerking of een platte mop voor je te houden, alleen maar omdat er iemand anders aan het woord is. Niks uitstel of wachten op het goede moment. Dit is het goede moment: nu.
Toen ik pas les gaf aan monteurs dacht ik dat het sabotage was en werd ik boos. Daarvan waren ze niet onder de indruk, maar vooral: ze begrepen het niet.
Wat was er aan de hand?
Ha, u weet het, want u bent een professional met vakdidactische en pedagogische scholing. Ja, juist: spanningsboog! Ze kunnen gewoon niet lang geconcentreerd luisteren. Hoe spannender het verhaal is hoe korter, denk ik weleens, want de spanning moet eruit. Hup, een grap, een scheet, een boer, een opmerking. Hoeft niet te gaan over het onderwerp van de les, liever niet zelfs, een volkomen andere associatie even er tussendoor. De hele klas lacht, niet omdat het nou zo’n leuke grap is maar vanwege de spanning die eruit moet. Ha! Voorpagina! Leuk!
Ik lach ook. Er komt nog een grap achteraan, ergens achter uit de klas:
“Ik dacht ook iets anders!”
“Oh ja, wat dan?”
”Ja, kut.”
“Kut? Dat begint toch niet met een v.”
Daar lach ik ook om, maar ondertussen loer ik op een kans om terug te komen op Fortuyn Dat lukt, want dan zegt een ander: “Ha, Pimmetje moet daar allemaal niks van hebben.” En dan gaat de les gewoon verder want een aantal blijkt niet te weten dat Fortuyn van de herenliefde is.
Als je maatschappijleer geeft is Fortuyn een geschenk uit de hemel, werkelijk waar. Werd ik vroeger geconfronteerd met een collectieve walging als ik aankondigde dat we het over ‘polletiek’ gingen hebben, de afgelopen weken riepen ze bij binnenkomen al om uitleg over Fortuyn, en waren ze de koning te rijk toen ik die wel wilde geven.
Dat was makkelijk scoren.
Dat is een deel van de verklaring voor de populariteit van Fortuyn: hij surft op de afkeer van ‘polletiek’ bij veel mensen. Vooral omdat er niets opgelost wordt, zo blijkt in de klas.
“Ze lossen niks op!”
Jongens, zeg ik, dat is niet waar. Wel! Niet!
Ha, lesgeven is best leuk. De verontwaardiging stijgt ten top als ik zeg dat ik niets begrijp van het schijnbaar acute crisisbewustzijn bij veel mensen, omdat het nog nooit in de geschiedenis van Nederland zo goed gegaan is in dit land en het echte probleem van de ‘polletiek’ is dat er in Nederland geen echte problemen meer zijn - volgens mij dan.
De klas slooft zich uit om mij alle problemen die zij maar ooit ergens gehoord hebben, voor de voeten te gooien. Het is een geëngageerde drukte van jewelste, totdat degene die met de auto is en in de middagpauze altijd naar de friettent rijdt, ineens iets anders bedenkt:
“Wat moeten jullie direct van de fritestent?”
Want zo gaat dat, en ik laat niet na hen erop te wijzen (terwijl ze bestellingen opsommen): ze verdienen 600 euro schoon in de maand terwijl ze 3 dagen per week werken, het bedrijf betaalt hun opleiding en ze wonen bij hun ouders. Dus krijgen ze boterhammen mee om weg te gooien en kopen ze collectief frites, tussen de middag. Dat gaan ze in de auto halen en terwijl ze onderweg zijn geven de achterblijvers nog bestellingen door via de mobieltjes.
”He meneer, Johnny heeft een nieuw mobieltje, hebt u die al gezien?”
Bewijst dat mijn gelijk dat het goed gaat? Welnee. Doe mij maar een frikandel speciaal dan.
2002
Geen opmerkingen:
Een reactie posten