zaterdag 9 april 2011

18. Het heeft 3 letters en het begint met een ´ l ´

De monteurs - BBL niveau 2 - komen 1 dag per week naar school voor 6 uur vakleer en 1 uur maatschappijleer. In de praktijk gaat dat anders, want deze groep werkt bij GTI en krijgt les op de bedrijfsschool in Oisterwijk. Daar gaat een vakdocent dus 1 dag per week heen. Maar ik ga niet elke week naar Oisterwijk fietsen voor 1 uur maatschappijleer. Dus?
Ze krijgen 3 weken lang 7 uur vaktheorie. De 4e week krijgen ze 3 uur vaktheorie en 4 uur maatschappijleer.
Ha! 4 uur maatschappijleer! De monteurs! Gelukkig kom ik van goede huize.

Om 11.00 uur kom ik het lokaal binnen en dan zijn ze blij me te zien: na 3 uur komt vaktheorie ze de keel uit. Dus gaan we welgemoed van start. Om 12.00 uur gaan we eten. Zij friet met fris en sigaretten buiten, ik boterhammen met thee in het kantoortje van de praktijkopleider.

Om 12.30 uur beginnen we weer. Met opdrachten die ze individueel moeten maken, uit hun maatschappijleerboek. (Dat ik zelf geschreven heb. Om gezeur over ‘boek vergeten’ te voorkomen, heeft de bedrijfsschool er 20 in de kast liggen.)
Ik deel boeken en opdrachten uit, de jongens gaan aan het werk. Dat gaat best goed, een tijdje. Ze werken met z’n tweeën, maken af en toe een grap of laten een scheet, maar ze blijven bezig met de opdrachten. Mijn gedrag is belangrijk: als ik voor de klas ga zitten om ze in de gaten te houden, gaan ze klooien. Wat ik doe is: door het lokaal slenteren. Ik raap propjes op, zet stoelen recht, kijk over schouders mee naar antwoorden, corrigeer schrijffouten, lees de gebruiksaanwijzing van de brandblusser, maan terloops onruststokers tot orde – kortom, echt werk.

Een half uur is het echte, absolute en totale maximum dat ze dit rustig kunnen. Dan is het op en moet ik met iets anders komen. Bijvoorbeeld de vragen bespreken (maar pas op, want als ik alle vragen bespreek en van goede antwoorden voorzie, en zij weten dat dat komt, dan doen ze niks tijdens het voor-zichzelf-werken) of nog iets uitleggen met aantekeningen erbij. Maar alles slijt, en we moeten nog tot half drie. Tot half drie! Goede raad is duur – maar de video is nabij.

Video! 4 uur maatschappijleer achter elkaar is niet door te komen (voor leerlingen noch docent) zonder audiovisuele hulpmiddelen. Dus ik zorg elke keer voor een videoband die iets met het onderwerp van de les te maken heeft. Ik ben de enige die dat criterium belangrijk vind, overigens. Het zal de jongens worst wezen waar het over gaat, als het maar beweegt. En elke les vraagt er wel eentje om ‘Een HP-film met veel SM’.
“Nee, die bewaar ik voor thuis”, zeg ik dan.
“Ja”, krijg ik terug, “Mijn vader houdt ook wel van een Harde Politiefilm met veel Spannende Momenten.”
Ja, flauw is soms leuk, maar de videobanden die bestemd zijn voor maatschappijleer kunnen maar matig boeien. Verkiezingen, parlement, vakbond… zelf kijk ik er ook niet voor mijn lol naar. Criminaliteit scoort beter. En ik heb een goeie band over racisme. Maar liever: een speelfilm. Zo gebruik ik ‘Pieter Daens’ bij de onderwerpen arbeid, loonstrijd, vakbonden, cao’s, etc. Bij veel onderwerpen, want het is een lange film en ik draai dan elke keer bijvoorbeeld 3 kwartier.
Dan hebben we nog een kwartier – en dat is geen enkel probleem. De sfeer is wat slaperig na de film, ik deel de laatste opdrachten uit en zeg dat ze die volgende keer af moeten hebben en dat ze daar de rest van de les aan kunnen werken. Wat ze hier niet afkrijgen doen ze thuis maar.
Dan is het tijd en mag ik naar huis. Zij ook – als ze snipperuren opnemen. Want dit is een bedrijf, ze worden betaald en als ze om half drie naar huis willen moeten ze twee snipperuren nemen.
Apart, toch?

PS
“He meneer, het heeft 3 letters en het begint met een ‘l’?”
“Les! Ha! U dacht iets anders he?”

Geen opmerkingen:

Een reactie posten