zaterdag 18 juni 2011

26. Plint Eastwood

Het is de laatste les voor het examen en er moet nog een heleboel vervelende stof doorheen. Dat is dus een probleem - voor mij, welteverstaan, want de monteurs weten dat ik een probleem heb als er veel onvoldoendes vallen voor maatschappijleer. Dus ik doe mijn best om de stof begrijpelijk en boeiend uit te leggen en spoor hen aan hun opdrachten te maken en in te leveren en straks de stof 'te kennen'. Ach, het is mijn werk en vol goede moed houd ik een betoog over de CAO en wat het betekent als die 'algemeen verbindend' wordt verklaard. De monteurs luisteren (af en toe), maken aantekeningen (idem), stellen vragen, gapen (frequent), hangen in hun stoelen, frommelen in hun papieren, krabben zich achter de oren, spelen met pennen, gummen, potloden, pennenzakjes, combinatietangen en papiersnippers. Ook boeren ze van tijd tot tijd, en opeens heeft er eentje geruft. Hilariteit. Boosdoener Remco zit op de achterste bank, zijn maten vluchten naar voren. Ik drijf ze terug - en deins verschrikt achteruit als ik in de buurt van Remco kom en verontrustende putlucht gewaarword.
"Wie is de minister van sociale zaken?", vraag ik, om het maar weer eens ergens anders over te hebben. Ik krijg geen antwoord maar een tegenvraag:
"He meneer, het zit onder tegen de muur en het kan goed schieten?
- Plint Eastwood", antwoordt hij zelf triomfantelijk.
De groep reageert lauw, maar ik schiet voluit in de lach. De monteurs kijken verbaasd. Zo leuk was het nou ook weer niet want het ging niet over seks of scheten of boeren. Of drank.
Ik hervat mijn betoog maar het hek is van de dam. Als ik dat zo leuk vind, weten zij er nog wel meer.
"Het is lang en dun en kan goed schieten?", reageert Ruud. "Lint Eastwood!"
Ja, dat is ook leuk. En de anderen pijnigen hun hersens. In gedreven samenspel komen we tot het volgende rijtje:
Het geeft cadeautjes en het kan goed schieten? Sint Eastwood
Is een bloem en ... - Hyacint Eastwood
Knarst en ... - Grint eastwood
Is ingewikkeld en ... - Labyrint Eastwood (He, van de monteurs!)
Waait en ... - Wind Eastwood. Nee, Remco Eastwood.
Is drinkbaar en ... - Pint Eastwood.
Is snel en ... - Sprint Eastwood
Ziet niks en . .. - Blind Eastwood
Ruikt lekker en ... - Mint Eastwood
Drukt af en ... - Print Eastwood
Wijst aan en ... - Hint Eastwood
Is een aardappel en ... - Bint Eastwood
Is kwijt en ... - Vind Eastwood
Jong en ... - Kind Eastwood
Ik bedenk ook nog, als laatste voor de pauze:
Het is oud en kan goed schieten?
Daar komen ze niet op. Clint Eastwood natuurlijk!

Dan is het pauze. Daarna een video. Helaas heb ik geen western met meneer Eastwood bij me.

zondag 12 juni 2011

25. Het begint met een ‘v ‘ en het eindigt op ‘agina’

“Meneer, wat begint met een ‘v’ en eindigt op ‘agina’?”
De jongen die die vraag stelt zit op de eerste bank en kijkt me verwachtingsvol aan. Ik volg hem even niet want hij stelt de vraag terwijl ik middenin een vurig betoog ben over Pim Fortuyn. De klas luisterde geboeid – nou ja, in elk geval waren ze allemaal stil – en dan ineens zo'n vraag.
“Voorpagina”, geeft hij zelf triomfantelijk het antwoord. “Ha! U dacht iets anders hé?”
Ik dacht dat hij naar mijn betoog luisterde en misschien was dat ook wel zo, maar opeens kwam deze gedachte langs en het is onder monteurs niet de gewoonte om een aardige joke, een gevatte opmerking of een platte mop voor je te houden, alleen maar omdat er iemand anders aan het woord is. Niks uitstel of wachten op het goede moment. Dit is het goede moment: nu.
Toen ik pas les gaf aan monteurs dacht ik dat het sabotage was en werd ik boos. Daarvan waren ze niet onder de indruk, maar vooral: ze begrepen het niet.
Wat was er aan de hand?
Ha, u weet het, want u bent een professional met vakdidactische en pedagogische scholing. Ja, juist: spanningsboog! Ze kunnen gewoon niet lang geconcentreerd luisteren. Hoe spannender het verhaal is hoe korter, denk ik weleens, want de spanning moet eruit. Hup, een grap, een scheet, een boer, een opmerking. Hoeft niet te gaan over het onderwerp van de les, liever niet zelfs, een volkomen andere associatie even er tussendoor. De hele klas lacht, niet omdat het nou zo’n leuke grap is maar vanwege de spanning die eruit moet. Ha! Voorpagina! Leuk!
Ik lach ook. Er komt nog een grap achteraan, ergens achter uit de klas:
“Ik dacht ook iets anders!”
“Oh ja, wat dan?”
”Ja, kut.”
“Kut? Dat begint toch niet met een v.”
Daar lach ik ook om, maar ondertussen loer ik op een kans om terug te komen op Fortuyn Dat lukt, want dan zegt een ander: “Ha, Pimmetje moet daar allemaal niks van hebben.” En dan gaat de les gewoon verder want een aantal blijkt niet te weten dat Fortuyn van de herenliefde is.
Als je maatschappijleer geeft is Fortuyn een geschenk uit de hemel, werkelijk waar. Werd ik vroeger geconfronteerd met een collectieve walging als ik aankondigde dat we het over ‘polletiek’ gingen hebben, de afgelopen weken riepen ze bij binnenkomen al om uitleg over Fortuyn, en waren ze de koning te rijk toen ik die wel wilde geven.
Dat was makkelijk scoren.
Dat is een deel van de verklaring voor de populariteit van Fortuyn: hij surft op de afkeer van ‘polletiek’ bij veel mensen. Vooral omdat er niets opgelost wordt, zo blijkt in de klas.
“Ze lossen niks op!”
Jongens, zeg ik, dat is niet waar. Wel! Niet!
Ha, lesgeven is best leuk. De verontwaardiging stijgt ten top als ik zeg dat ik niets begrijp van het schijnbaar acute crisisbewustzijn bij veel mensen, omdat het nog nooit in de geschiedenis van Nederland zo goed gegaan is in dit land en het echte probleem van de ‘polletiek’ is dat er in Nederland geen echte problemen meer zijn - volgens mij dan.
De klas slooft zich uit om mij alle problemen die zij maar ooit ergens gehoord hebben, voor de voeten te gooien. Het is een geëngageerde drukte van jewelste, totdat degene die met de auto is en in de middagpauze altijd naar de friettent rijdt, ineens iets anders bedenkt:
“Wat moeten jullie direct van de fritestent?”
Want zo gaat dat, en ik laat niet na hen erop te wijzen (terwijl ze bestellingen opsommen): ze verdienen 600 euro schoon in de maand terwijl ze 3 dagen per week werken, het bedrijf betaalt hun opleiding en ze wonen bij hun ouders. Dus krijgen ze boterhammen mee om weg te gooien en kopen ze collectief frites, tussen de middag. Dat gaan ze in de auto halen en terwijl ze onderweg zijn geven de achterblijvers nog bestellingen door via de mobieltjes.
”He meneer, Johnny heeft een nieuw mobieltje, hebt u die al gezien?”
Bewijst dat mijn gelijk dat het goed gaat? Welnee. Doe mij maar een frikandel speciaal dan.

2002

zondag 29 mei 2011

24. Overleven zonder friet

Ik weet niet hoe uw schooljaar begon, maar ik moest met twee klassen eerstejaars procestechniek op overlevingskamp in de Ardennen. Daar leer je een hoop van, van zo'n barre tocht. Zo weet ik nu dat mijn leerlingen zich hoofdzakelijk in leven houden met frites en frikadellen. En omdat ze die niet kregen, bleven ze erom roepen ("Meneheer, mogen wij nu naar het dorp naar een fritestent?").
Omdat het eten primitief was (je moest roosteren op zelfgemaakte kampvuur) en wc’s afwezig (je moest hurken op een eenzaam plekje in het bos), gingen de gesprekken al snel alleen nog maar over hoe aan fatsoenlijk eten ( = frites) te komen, en hoe van de verteerde resten af te geraken (is hier een wc?).
Toen ik mijn groep de tweede dag vertelde dat op de plek van de volgende overnachting een wc was, verdubbelden de leerlingen het tempo ("Voor die plee staat een rij van anderhalf uur als we er niet als eerste zijn”)
Groot was hun ontsteltenis toen er weliswaar een toilet was, maar naar klassiek Frans ontwerp:
"Maar meneer, daar moet je staande op schijten!”
"Nee, doe niet zo dom", antwoordde ik geduldig. "Je moet hurken."
Ze keken me aan alsof ik ontoerekeningsvatbaar was.
Zelf miste ik de koffie het meest, na één dag zonder.

Omdat het goed weer was bleek slapen onder de blote hemel een fluitje van een cent. We spanden een touwtje tussen twee bomen, gooiden daar een lap plastic overheen en legden onze slaapzak er onder. Het viel niet mee om je erin te wurmen, in het stikkedonker, maar als je eenmaal lag en je had je slaapzak goed dichtgetrokken, sliep je heerlijk.

Wat leer je nog meer?
"Dat wij eigenlijk veel te luuks leven" vond mijn collega, maar daar was ik het niet mee eens. Hoe langer het duurde, hoe meer ik al die luxe thuis op prijs begon te stellen. Tafels en stoelen, gloeilampen, zachte bedden, wastafels, ligbaden: ik heb er zeer naar verlangd. Dat lopen dat we deden (en waar de leerlingen zo over klaagden "Tjezus, meneer, vijftien kilometer! Met rugzak? Dat meent u niet!") dat stelde niet zo veel voor. Daar werd je gewoon lekker moe van zodat je goed sliep. Maar dat je na die 15 kilometer lopen niet lekker op een terras kon gaan zitten, dat je daarentegen een onderkomen moest gaan maken en hout moest verzamelen, dat je eten moest roosteren, staande moest eten, de rommel opruimen, gehurkt en in het donker 'ter wc' gaan, dat je jezelf niet kon wassen en in het donker in een koude slaapzak moest kruipen – dat hakte er in. Dat was afzien, en dan heeft het nog niet eens geregend.
Het vermakelijkste moment? Aan het einde, toen we het dorp naderden waar we de hele dag al naartoe gesjokt hadden en de eerste leerlingen de bebouwing in het oog kregen: een groot pand met het opschrift: ‘friterie’. Ze begonnen zowaar te rennen, ondanks rugzakken en moede voeten. Eindelijk! Beschaving! Frites!

Gerard sanberg
(in het kader van Het Oude Beroepsonderwijs herinneringen aan de RK MTS in Tilburg. Dit verhaal dateert van 1992)

maandag 23 mei 2011

23. Vechten in de les

Ik sta ruim 20 jaar voor de klas - hoeveel leerlingen heb ik er in de loop van de tijd uitgestuurd? Vingers van één hand? Nee, meer. Maar niet veel meer. Ik heb er een hekel aan leerlingen de les uit te sturen, maar soms kan het niet anders.
Zes weken geleden heb ik een leerling er voor de tweede keer uitgestuurd – dat is wel degelijk een record. Maar ik heb er geen spijt van want het was een openbaring om Bart aan te horen in zijn verdediging. Het verschil met toen ik hem er voor de eerste keer uitstuurde had niet groter kunnen zijn, maar dat is dan ook meer dan een jaar geleden.
Iedereen (ouders, onderwijzers, maatschappelijk werkers, schoolbegeleidingsdienst, hulpverlening, decaan, mentor, coördinator mentoraat) was het er al jaren over eens dat Bart een moeilijke leerling was, eigenlijk nauwelijks te handhaven in gewoon, klassikaal onderwijs. En bij een vak als maatschappijleer, waar hij geen enkele interesse in had, was dat allemaal nog een graadje erger.
Het zat er dus al tijden aan te komen maar het gesprek na de les, in tegenwoordigheid van de werkmeester (we praten over de monteurs van GTI die les krijgen op de bedrijfsschool in Oisterwijk), schoot niet op. Het was duidelijk dat Bart veel van deze gesprekken had meegemaakt, en dat wij hem niets nieuws te melden hadden. Blablabla grenzen blablabla kansen krijgen blablabla les verstoren blablabla ook voor andere leerlingen blabla. Blabla blabla blabla.
Bart hing slungelig tegen een bureau, was met moeite te bewegen zijn petje af te zetten, wilde me niet aankijken, mompelde en gromde wat, was nauwelijks te verstaan en dat interesseerde hem ook niks. Qua lichaamstaal was de boodschap duidelijk: ik heb hier geen boodschap aan.
In de les verminderde de overlast daarna slechts marginaal, het bleef tobben, het hele schooljaar lang, maar ja, je wordt ervoor betaald.
Het tweede jaar, dit schooljaar dus, verschilde niet waarneembaar van het eerste, dus drie weken geleden moest hij er opnieuw uit: ik zag hem aan de stoelpoot van een medeleerling trekken, met de bedoeling hem om te kieperen. Het mislukte, maar ik was echt kwaad en stuurde hem weg. Daarop volgde een moeizaam proces van tergend langzaam overeind komen, rugzak inpakken, dreigen die weer uit te pakken, totdat ik de rugzak van zijn tafel pakte en door de open deur over een afstand van een meter of vijf, zes de gang op smeet. Dat maakte indruk – weg was hij.
Maar het gesprek na de les was een openbaring – die enkele weken later paradoxaal genoeg werd bevestigd door een vechtpartij in de les.
Tijdens het gesprek zat Bart alert in zijn stoel. Hij lette goed op wat ik te berde bracht en zette daar zijn eigen argumenten tegenover. Hij deed dus precies wat ik hem wilde leren: luisteren, verwerken, tegenargumenten bedenken en die op de juiste ogenblikken uiten. Nadenken en redeneren. Prachtig. Alleen was hij het niet met me eens (“Ik snap wel dat dat in uw ogen een grens overschrijden was, wat ik deed, maar mijn grens ligt dus gewoon een eindje verder.”), dat was nou wel weer jammer. Maar inwendig zat ik hem te bewonderen: hij was groot geworden. Hij keek me rustig aan, wachtte tot ik uitgepraat was (dat alleen al!) en bracht vervolgens gewoon zijn eigen visie op de zaak naar voren. In niet eens zo erg platte volzinnen.
En die vechtpartij dan? Dat ging zo. Het was een paar weken na de indrukwekkende demonstratie van volwassen worden en de les liep als een trein, echt waar. We waren al twee uur bezig (denk erom, deze sessies duren drie klokuren) toen ineens Bart zich omdraaide en zijn achterbuurman te lijf ging.
Ik had het niet aan zien komen maar was er snel genoeg bij om te voorkomen dat ze echt slaags raakten. Bart deed drie dingen: hij draaide zich om en duwde de tafel achter hem hard weg zodat zijn achterbuurman die in zijn maag kreeg. Vervolgens graaide hij diens rekenmachientje van tafel en gooide dat naar zijn hoofd. Mis. Met zijn andere hand greep hij de multomap en gooide opnieuw. Raak. Midden in zijn gezicht.
Hij wilde overeind komen om erop te slaan maar op dat moment was ik erbij en drukte hem bij zijn schouders omlaag in zijn stoel. Ik voelde de woede door zijn trui heen. De achterbuurman bloedde behoorlijk uit een wond vlak naast zijn neus, waar de scherpe kant van de multomap hem had geraakt. Hij keek verlegen weg. Bart liet zich door mij tegenhouden, besefte wat ie gedaan had en kreeg een vuurrode kop. Hij stotterde van woede, hij moest bijna janken zo kwaad was hij: “Godverdomme, godverdomme, stomme lul, godverdomme, meneer, het ging zo goed, maar hij zit maar te klooien met die tafel tegen mijn stoel aan, maar godverdomme, u hebt de hele les nog niks tegen me hoeven zeggen, en hij, en hij ….” Machteloze woede. Maar ik realiseerde me dat hij gelijk had: ik had hem van de hele les nog niet 1 keer vermanend toegesproken. En ik snapte wat er aan de hand was: de achterbuurman had Bart op zitten naaien in een poging wat kabaal op zijn kosten te krijgen.
Ik kalmeerde Bart (“Bart, af!” Daar moet ie om lachen en de spanning vloeit weg uit zijn schouders), stuurde de achterbuurman naar de wc om zijn gezicht te wassen en ging zonder veel omhaal door met de les. Pas een uur later, na de les, praatten we er over na. Zonder de werkmeester dit keer, gewoon onder elkaar. Dan is alle emotie weggevloeid en haalde iedereen er zijn schouders over op. Kan gebeuren.

in het kader van Het Oude Beroepsonderwijs haal ik hier herinngen op aan de mts. Dit is al van wat later, 2002.

zondag 15 mei 2011

22. Familie soms?

In 1996 trokken we, als spiksplinternieuw ROC, in een spiksplinternieuw gebouw. Een duidelijk nadeel van een zo'n smetteloos gebouw is dat je elke scheet ziet. Op die lelieblanke muren is elke streep een vloek in de kerk en dat is lastig. In principe is één streep natuurlijk niet zo erg, maar als het de eerste is, is het wel erg want een streep neigt tot groepsvorming. Een streep is sociaal aangelegd en al gauw zijn het er twee, drie, vier: hek van de dam.
Afgelopen maand was het hek van de dam omdat een hele gang volgeschreven was met kreten die ik hier niet zal herhalen want ik wil het wel netjes houden, maar leerlingen zitten daar niet mee en ik kreeg alles loud and clear door de klas geroepen. Ze wilden het best even op het bord schrijven, als ik geïnteresseerd was ......
Leerlingen kunnen ontstellend grof in de mond zijn. Je went er aan want je went aan alles, maar ik keek dit jaar toch even op van alle vertalingen en bewerkingen van het Amerikaanse 'motherfucker' die de ronde deden. Zeker als er gewoon Tilburgs gesproken wordt (dus altijd eigenlijk) komt het kwetsend over. Op mij, tenminste, want de jongens zitten er niet mee. Er zijn al standaardantwoorden op deze standaardverwensingen, even grof als het origineel, en de klas wordt er niet warm of koud van.
Ik wond me op, wat verbaasde reacties uit de klas tot gevolg had: "Och meneer, 't betekent toch niks."
Maar taalgebruik komt precies, en soms krijgen leerlingen de geest en willen ze zich correct uitdrukken. Daar sta ik dan wel achter, maar binnen zekere grenzen. Want uit onwennigheid komen ze dan met onaanvaardbaar oubollige uitdrukkingen.
Leerling: "Ja zeg, ik zit hier niet voor jan-met-de-korte-achternaam."
Dat vind ik te erg, te truttig voor een aankomende bouwvakker.
"Oh", reageer ik quasi vermoeid, "Je bedoelt Jan Lul?"
De leerling kijkt verbaasd, maar ik trap er niet in: "Of niet dan?"
"]a, dat wel."
Ik: "Nou, zeg dat dan gewoon."
Leerling: "Ja maar, ik dacht..."
Ik: "Dat ik die niet kende."
Leerling: "Zoiets ja."
Andere leerling: "Volgens mij kent ie 'm heel goed."
Weer andere leerling: "'t Zal wel familie van 'm zijn."

Gerard Sanberg

zondag 8 mei 2011

21. Voeden wij op?

Jazeker voeden wij op, al denkt onze gymnastiek-docent dat men daar steeds minder belang aan hecht sinds hij zichzelf weggezet zag als ”begeleider van het fitness gebeuren”. Wij voeden op, als onderwijsgevenden, maar je mag het niet meer zo noemen. Opvoeden, dat ging over ouderwetse deugden als orde, netheid en goed gedrag. En dat kan niet meer, leerlingen deugden bijbrengen. Ik voed mijn leerlingen dus niet meer op met deugden, maar in plaats daarvan leer ik hen dat het bedrijfsleven grote waarde hecht aan sociaal normatieve kwalificaties als discipline, stiptheid, betrouwbaarheid en precisie.

Dat heb ik geweten.

Ik heb 156 proefwerken nagekeken waarin ik de leerlingen vroeg om enkele sociaal normatieve kwalificaties te noemen. Ik weet dat het logisch gezien niet kan, maar toch, ik heb het gevoel dat je een woord als ‘discipline’ op 156 verschillende manieren kunt schrijven.

Wie het wel goed schreef was (merkwaardigerwijs) Vasisht Kohi, een lastige naam om hardop door de klas te roepen want dan is het net of je hem voor ‘fascist’ uitscheldt. En, eerlijk gezegd, ik moet zijn naam nogal eens hardop door de klas roepen want hoewel hij ‘discipline’ foutloos spelt, heeft hij er een duidelijk waarneembaar tekort aan.

In W2a is hij overigens niet de enige, wat dat betreft. Wel wat betreft allochtoonheid (dat is geen woord maar u weet wat ik bedoel): voor de rest zijn dat allemaal melkboerenhondenkoppen in W2a, en eigenlijk geldt dat zo'n beetje voor die hele mts van ons: nog steeds is dat een zeer autochtoon gezelschap.

Uit zuinigheidsoverwegingen en omdat het milieu mij aan het hart gaat gebruik ik als kladpapier vaak blanco achterkanten van kopieën die ik over heb. Zo zat ik laatst in een vergadering met collega’s uit het hele land aantekeningen te maken op de achterkant van een vel met de pasfoto’s van een klas leerlingen. Een collega uit Amsterdam griste het uit mijn handen om de foto’s te bekijken – en vervolgens legde hij er precies zo’n aviertje naast, van zijn eigen klas.

Alsof het een negatief van het mijne was! Zijn lijst bestond bijna geheel uit bruine krullenkoppen, slechts hier en daar kon je een verdwaalde boterbloem zien. Dat is natuurlijk onze toekomst. Het aandeel allochtonen onder de jeugd is vrij groot en dat gaat tot uiting komen in onze klassen. Dat geeft niks natuurlijk, ik vind het prima. Maar we blijven wel opvoeden, want het is aan ons om al die leerlingen, allochtoon of autochtoon, melkboerenhondenhaar of krullenbol, boterbloem of dahlia, sociaal normatieve kwalificaties bij te brengen. Omdat het bedrijfsleven dat op hoge prijs stelt. Maar vooral omdat wij dat zelf nodig vinden.



Gerard Sanberg

Deze dateert van 1995

woensdag 27 april 2011

20. Duizend bommen en granaten

Op maandag- en dinsdagavond komen de monteurs naar school: volwassen mannen met een volledige dagtaak die hun monteursdiploma willen halen omdat ze dan meer verdienen. Het vervelende is dat wat ze bij ons moeten leren (elektriciteitsleer) niet zoveel te maken heeft met wat ze alledag doen. Het werk dat ze opknappen leren ze in de praktijk, en daar leggen ze praktijkexamens over af met doeltreffende namen als: 'buis', 'kabel', ‘verdeelkasten', ‘metaalbewerken'.

Volgens de wet moeten de monteurs zich ook Maatschappelijk en Cultureel Kwalificeren - kortom, ze krijgen maatschappijleer. Het is niet het populairste vak, maar het is verplicht dus we maken er het beste van. Bij het nakijken van de schriftelijke opdrachten schrijft de wet voor dat ik let op Nederlandse taal en spelling. De grofste overtredingen streep ik dus aan.

De lessen verlopen vaak wat rommelig omdat de monteurs allerlei verhalen hebben over het echte leven, buiten, en af en toe luchten ze hun hart over het krentenwegen en de futiliteiten waar sommige leraren (ik dus) zich noodgedwongen mee bezig houden. De tegenstelling tussen het echte leven en de school is groot, soms.

De monteur. "Ja, het hangt er van af. Dan zit je met z' n tweeën tv te kijken en dan komt er een melding binnen. Balen! Nou, dan kijkt mijn maat naar mij: ga jij maar. Maar ik kijk naar hem: nee, ga jij maar. Ten slotte gaan we met z' n tweeën.

Hij kruipt er naar toe, ik blijf op afstand. Hij kijkt heel goed tot hij denkt dat hij weet wat het is, en dan kruipt hij terug. Hij zegt niks tegen me. Dan kruip ik er heen, ik kijk ook heel goed tot ik denk dat ik weet wat het is. Dan kruip ik terug, en zeg tegen hem wat ik denk. Als hij hetzelfde denkt zijn we er tamelijk zeker van dat het klopt, dat we weten wat het is.

Dan moet één van de twee er weer naar toe, voor de demontage. Maar ja, we zijn niet altijd met z'n tweeën. Dus dan kruip ik er alleen naar toe, scherfwerend pak aan, en sleep ik een touw achter me aan. Anderhalf uur ben je bezig met het blootleggen van zo'n ding. Nou, dan ligt ie bloot en dan maak je een foto en die bind je aan dat touw en die ander achter je, die trekt dat naar zich toe. Die geeft de foto aan de luitenant en die zoekt het op in zijn boekje en als hij dan weet wat het is, dan kun je aan het werk.

Dat duurt vaak ook wel twee uur, hoor. Maar soms kom je er niet achter wat het is of het lukt niet om hem te demonteren. Dan bind ik er driehonderd meter touw aan en kruip weg. Ik ga achter een bunker zitten op minstens vijftig meter afstand en begin te trekken en dan hoop je maar dat je 'boem' hoort, maar dat gebeurt niet altijd. Dan heb je hem een eindje weggetrokken en hij is nog niet ontploft - dat is niet leuk want dan moet je er weer heen.

Ik ben drie keer in Bosnië geweest, want dat betaalt goed hoor, je steekt dertigduizend gulden in je zak per trip. Maar nu kwamen die berichten over Eritrea, en ik keek eens om me heen en we waren nog maar met twee mineurs dus ik dacht, ikke niet. Want Eritrea, daar zit zulke linke troep in de grond, daar kun ie gewoon niks van zeggen. Daar pakken ze een bloempot en die doen ze vol kruit en dat stoppen ze in de grond, en daar mag jij dan aan gaan zitten pulken. Nou, mooi niet.

Dus ik ben naar de Firma Van Hees gestapt en heb gezegd dat wilde ik verdienen - dat vond ie goed. En de opleiding wordt betaald. Ook goed. Dus daarom zit ik nu hier en niet in Eritrea."



Deze wat verbeten monoloog werd uitgelokt doordat ik had zitten doorzagen over dat hij "ik vindt" had geschreven.