Ik weet niet hoe uw schooljaar begon, maar ik moest met twee klassen eerstejaars procestechniek op overlevingskamp in de Ardennen. Daar leer je een hoop van, van zo'n barre tocht. Zo weet ik nu dat mijn leerlingen zich hoofdzakelijk in leven houden met frites en frikadellen. En omdat ze die niet kregen, bleven ze erom roepen ("Meneheer, mogen wij nu naar het dorp naar een fritestent?").
Omdat het eten primitief was (je moest roosteren op zelfgemaakte kampvuur) en wc’s afwezig (je moest hurken op een eenzaam plekje in het bos), gingen de gesprekken al snel alleen nog maar over hoe aan fatsoenlijk eten ( = frites) te komen, en hoe van de verteerde resten af te geraken (is hier een wc?).
Toen ik mijn groep de tweede dag vertelde dat op de plek van de volgende overnachting een wc was, verdubbelden de leerlingen het tempo ("Voor die plee staat een rij van anderhalf uur als we er niet als eerste zijn”)
Groot was hun ontsteltenis toen er weliswaar een toilet was, maar naar klassiek Frans ontwerp:
"Maar meneer, daar moet je staande op schijten!”
"Nee, doe niet zo dom", antwoordde ik geduldig. "Je moet hurken."
Ze keken me aan alsof ik ontoerekeningsvatbaar was.
Zelf miste ik de koffie het meest, na één dag zonder.
Omdat het goed weer was bleek slapen onder de blote hemel een fluitje van een cent. We spanden een touwtje tussen twee bomen, gooiden daar een lap plastic overheen en legden onze slaapzak er onder. Het viel niet mee om je erin te wurmen, in het stikkedonker, maar als je eenmaal lag en je had je slaapzak goed dichtgetrokken, sliep je heerlijk.
Wat leer je nog meer?
"Dat wij eigenlijk veel te luuks leven" vond mijn collega, maar daar was ik het niet mee eens. Hoe langer het duurde, hoe meer ik al die luxe thuis op prijs begon te stellen. Tafels en stoelen, gloeilampen, zachte bedden, wastafels, ligbaden: ik heb er zeer naar verlangd. Dat lopen dat we deden (en waar de leerlingen zo over klaagden "Tjezus, meneer, vijftien kilometer! Met rugzak? Dat meent u niet!") dat stelde niet zo veel voor. Daar werd je gewoon lekker moe van zodat je goed sliep. Maar dat je na die 15 kilometer lopen niet lekker op een terras kon gaan zitten, dat je daarentegen een onderkomen moest gaan maken en hout moest verzamelen, dat je eten moest roosteren, staande moest eten, de rommel opruimen, gehurkt en in het donker 'ter wc' gaan, dat je jezelf niet kon wassen en in het donker in een koude slaapzak moest kruipen – dat hakte er in. Dat was afzien, en dan heeft het nog niet eens geregend.
Het vermakelijkste moment? Aan het einde, toen we het dorp naderden waar we de hele dag al naartoe gesjokt hadden en de eerste leerlingen de bebouwing in het oog kregen: een groot pand met het opschrift: ‘friterie’. Ze begonnen zowaar te rennen, ondanks rugzakken en moede voeten. Eindelijk! Beschaving! Frites!
Gerard sanberg
(in het kader van Het Oude Beroepsonderwijs herinneringen aan de RK MTS in Tilburg. Dit verhaal dateert van 1992)
zondag 29 mei 2011
maandag 23 mei 2011
23. Vechten in de les
Ik sta ruim 20 jaar voor de klas - hoeveel leerlingen heb ik er in de loop van de tijd uitgestuurd? Vingers van één hand? Nee, meer. Maar niet veel meer. Ik heb er een hekel aan leerlingen de les uit te sturen, maar soms kan het niet anders.
Zes weken geleden heb ik een leerling er voor de tweede keer uitgestuurd – dat is wel degelijk een record. Maar ik heb er geen spijt van want het was een openbaring om Bart aan te horen in zijn verdediging. Het verschil met toen ik hem er voor de eerste keer uitstuurde had niet groter kunnen zijn, maar dat is dan ook meer dan een jaar geleden.
Iedereen (ouders, onderwijzers, maatschappelijk werkers, schoolbegeleidingsdienst, hulpverlening, decaan, mentor, coördinator mentoraat) was het er al jaren over eens dat Bart een moeilijke leerling was, eigenlijk nauwelijks te handhaven in gewoon, klassikaal onderwijs. En bij een vak als maatschappijleer, waar hij geen enkele interesse in had, was dat allemaal nog een graadje erger.
Het zat er dus al tijden aan te komen maar het gesprek na de les, in tegenwoordigheid van de werkmeester (we praten over de monteurs van GTI die les krijgen op de bedrijfsschool in Oisterwijk), schoot niet op. Het was duidelijk dat Bart veel van deze gesprekken had meegemaakt, en dat wij hem niets nieuws te melden hadden. Blablabla grenzen blablabla kansen krijgen blablabla les verstoren blablabla ook voor andere leerlingen blabla. Blabla blabla blabla.
Bart hing slungelig tegen een bureau, was met moeite te bewegen zijn petje af te zetten, wilde me niet aankijken, mompelde en gromde wat, was nauwelijks te verstaan en dat interesseerde hem ook niks. Qua lichaamstaal was de boodschap duidelijk: ik heb hier geen boodschap aan.
In de les verminderde de overlast daarna slechts marginaal, het bleef tobben, het hele schooljaar lang, maar ja, je wordt ervoor betaald.
Het tweede jaar, dit schooljaar dus, verschilde niet waarneembaar van het eerste, dus drie weken geleden moest hij er opnieuw uit: ik zag hem aan de stoelpoot van een medeleerling trekken, met de bedoeling hem om te kieperen. Het mislukte, maar ik was echt kwaad en stuurde hem weg. Daarop volgde een moeizaam proces van tergend langzaam overeind komen, rugzak inpakken, dreigen die weer uit te pakken, totdat ik de rugzak van zijn tafel pakte en door de open deur over een afstand van een meter of vijf, zes de gang op smeet. Dat maakte indruk – weg was hij.
Maar het gesprek na de les was een openbaring – die enkele weken later paradoxaal genoeg werd bevestigd door een vechtpartij in de les.
Tijdens het gesprek zat Bart alert in zijn stoel. Hij lette goed op wat ik te berde bracht en zette daar zijn eigen argumenten tegenover. Hij deed dus precies wat ik hem wilde leren: luisteren, verwerken, tegenargumenten bedenken en die op de juiste ogenblikken uiten. Nadenken en redeneren. Prachtig. Alleen was hij het niet met me eens (“Ik snap wel dat dat in uw ogen een grens overschrijden was, wat ik deed, maar mijn grens ligt dus gewoon een eindje verder.”), dat was nou wel weer jammer. Maar inwendig zat ik hem te bewonderen: hij was groot geworden. Hij keek me rustig aan, wachtte tot ik uitgepraat was (dat alleen al!) en bracht vervolgens gewoon zijn eigen visie op de zaak naar voren. In niet eens zo erg platte volzinnen.
En die vechtpartij dan? Dat ging zo. Het was een paar weken na de indrukwekkende demonstratie van volwassen worden en de les liep als een trein, echt waar. We waren al twee uur bezig (denk erom, deze sessies duren drie klokuren) toen ineens Bart zich omdraaide en zijn achterbuurman te lijf ging.
Ik had het niet aan zien komen maar was er snel genoeg bij om te voorkomen dat ze echt slaags raakten. Bart deed drie dingen: hij draaide zich om en duwde de tafel achter hem hard weg zodat zijn achterbuurman die in zijn maag kreeg. Vervolgens graaide hij diens rekenmachientje van tafel en gooide dat naar zijn hoofd. Mis. Met zijn andere hand greep hij de multomap en gooide opnieuw. Raak. Midden in zijn gezicht.
Hij wilde overeind komen om erop te slaan maar op dat moment was ik erbij en drukte hem bij zijn schouders omlaag in zijn stoel. Ik voelde de woede door zijn trui heen. De achterbuurman bloedde behoorlijk uit een wond vlak naast zijn neus, waar de scherpe kant van de multomap hem had geraakt. Hij keek verlegen weg. Bart liet zich door mij tegenhouden, besefte wat ie gedaan had en kreeg een vuurrode kop. Hij stotterde van woede, hij moest bijna janken zo kwaad was hij: “Godverdomme, godverdomme, stomme lul, godverdomme, meneer, het ging zo goed, maar hij zit maar te klooien met die tafel tegen mijn stoel aan, maar godverdomme, u hebt de hele les nog niks tegen me hoeven zeggen, en hij, en hij ….” Machteloze woede. Maar ik realiseerde me dat hij gelijk had: ik had hem van de hele les nog niet 1 keer vermanend toegesproken. En ik snapte wat er aan de hand was: de achterbuurman had Bart op zitten naaien in een poging wat kabaal op zijn kosten te krijgen.
Ik kalmeerde Bart (“Bart, af!” Daar moet ie om lachen en de spanning vloeit weg uit zijn schouders), stuurde de achterbuurman naar de wc om zijn gezicht te wassen en ging zonder veel omhaal door met de les. Pas een uur later, na de les, praatten we er over na. Zonder de werkmeester dit keer, gewoon onder elkaar. Dan is alle emotie weggevloeid en haalde iedereen er zijn schouders over op. Kan gebeuren.
in het kader van Het Oude Beroepsonderwijs haal ik hier herinngen op aan de mts. Dit is al van wat later, 2002.
Zes weken geleden heb ik een leerling er voor de tweede keer uitgestuurd – dat is wel degelijk een record. Maar ik heb er geen spijt van want het was een openbaring om Bart aan te horen in zijn verdediging. Het verschil met toen ik hem er voor de eerste keer uitstuurde had niet groter kunnen zijn, maar dat is dan ook meer dan een jaar geleden.
Iedereen (ouders, onderwijzers, maatschappelijk werkers, schoolbegeleidingsdienst, hulpverlening, decaan, mentor, coördinator mentoraat) was het er al jaren over eens dat Bart een moeilijke leerling was, eigenlijk nauwelijks te handhaven in gewoon, klassikaal onderwijs. En bij een vak als maatschappijleer, waar hij geen enkele interesse in had, was dat allemaal nog een graadje erger.
Het zat er dus al tijden aan te komen maar het gesprek na de les, in tegenwoordigheid van de werkmeester (we praten over de monteurs van GTI die les krijgen op de bedrijfsschool in Oisterwijk), schoot niet op. Het was duidelijk dat Bart veel van deze gesprekken had meegemaakt, en dat wij hem niets nieuws te melden hadden. Blablabla grenzen blablabla kansen krijgen blablabla les verstoren blablabla ook voor andere leerlingen blabla. Blabla blabla blabla.
Bart hing slungelig tegen een bureau, was met moeite te bewegen zijn petje af te zetten, wilde me niet aankijken, mompelde en gromde wat, was nauwelijks te verstaan en dat interesseerde hem ook niks. Qua lichaamstaal was de boodschap duidelijk: ik heb hier geen boodschap aan.
In de les verminderde de overlast daarna slechts marginaal, het bleef tobben, het hele schooljaar lang, maar ja, je wordt ervoor betaald.
Het tweede jaar, dit schooljaar dus, verschilde niet waarneembaar van het eerste, dus drie weken geleden moest hij er opnieuw uit: ik zag hem aan de stoelpoot van een medeleerling trekken, met de bedoeling hem om te kieperen. Het mislukte, maar ik was echt kwaad en stuurde hem weg. Daarop volgde een moeizaam proces van tergend langzaam overeind komen, rugzak inpakken, dreigen die weer uit te pakken, totdat ik de rugzak van zijn tafel pakte en door de open deur over een afstand van een meter of vijf, zes de gang op smeet. Dat maakte indruk – weg was hij.
Maar het gesprek na de les was een openbaring – die enkele weken later paradoxaal genoeg werd bevestigd door een vechtpartij in de les.
Tijdens het gesprek zat Bart alert in zijn stoel. Hij lette goed op wat ik te berde bracht en zette daar zijn eigen argumenten tegenover. Hij deed dus precies wat ik hem wilde leren: luisteren, verwerken, tegenargumenten bedenken en die op de juiste ogenblikken uiten. Nadenken en redeneren. Prachtig. Alleen was hij het niet met me eens (“Ik snap wel dat dat in uw ogen een grens overschrijden was, wat ik deed, maar mijn grens ligt dus gewoon een eindje verder.”), dat was nou wel weer jammer. Maar inwendig zat ik hem te bewonderen: hij was groot geworden. Hij keek me rustig aan, wachtte tot ik uitgepraat was (dat alleen al!) en bracht vervolgens gewoon zijn eigen visie op de zaak naar voren. In niet eens zo erg platte volzinnen.
En die vechtpartij dan? Dat ging zo. Het was een paar weken na de indrukwekkende demonstratie van volwassen worden en de les liep als een trein, echt waar. We waren al twee uur bezig (denk erom, deze sessies duren drie klokuren) toen ineens Bart zich omdraaide en zijn achterbuurman te lijf ging.
Ik had het niet aan zien komen maar was er snel genoeg bij om te voorkomen dat ze echt slaags raakten. Bart deed drie dingen: hij draaide zich om en duwde de tafel achter hem hard weg zodat zijn achterbuurman die in zijn maag kreeg. Vervolgens graaide hij diens rekenmachientje van tafel en gooide dat naar zijn hoofd. Mis. Met zijn andere hand greep hij de multomap en gooide opnieuw. Raak. Midden in zijn gezicht.
Hij wilde overeind komen om erop te slaan maar op dat moment was ik erbij en drukte hem bij zijn schouders omlaag in zijn stoel. Ik voelde de woede door zijn trui heen. De achterbuurman bloedde behoorlijk uit een wond vlak naast zijn neus, waar de scherpe kant van de multomap hem had geraakt. Hij keek verlegen weg. Bart liet zich door mij tegenhouden, besefte wat ie gedaan had en kreeg een vuurrode kop. Hij stotterde van woede, hij moest bijna janken zo kwaad was hij: “Godverdomme, godverdomme, stomme lul, godverdomme, meneer, het ging zo goed, maar hij zit maar te klooien met die tafel tegen mijn stoel aan, maar godverdomme, u hebt de hele les nog niks tegen me hoeven zeggen, en hij, en hij ….” Machteloze woede. Maar ik realiseerde me dat hij gelijk had: ik had hem van de hele les nog niet 1 keer vermanend toegesproken. En ik snapte wat er aan de hand was: de achterbuurman had Bart op zitten naaien in een poging wat kabaal op zijn kosten te krijgen.
Ik kalmeerde Bart (“Bart, af!” Daar moet ie om lachen en de spanning vloeit weg uit zijn schouders), stuurde de achterbuurman naar de wc om zijn gezicht te wassen en ging zonder veel omhaal door met de les. Pas een uur later, na de les, praatten we er over na. Zonder de werkmeester dit keer, gewoon onder elkaar. Dan is alle emotie weggevloeid en haalde iedereen er zijn schouders over op. Kan gebeuren.
in het kader van Het Oude Beroepsonderwijs haal ik hier herinngen op aan de mts. Dit is al van wat later, 2002.
zondag 15 mei 2011
22. Familie soms?
In 1996 trokken we, als spiksplinternieuw ROC, in een spiksplinternieuw gebouw. Een duidelijk nadeel van een zo'n smetteloos gebouw is dat je elke scheet ziet. Op die lelieblanke muren is elke streep een vloek in de kerk en dat is lastig. In principe is één streep natuurlijk niet zo erg, maar als het de eerste is, is het wel erg want een streep neigt tot groepsvorming. Een streep is sociaal aangelegd en al gauw zijn het er twee, drie, vier: hek van de dam.
Afgelopen maand was het hek van de dam omdat een hele gang volgeschreven was met kreten die ik hier niet zal herhalen want ik wil het wel netjes houden, maar leerlingen zitten daar niet mee en ik kreeg alles loud and clear door de klas geroepen. Ze wilden het best even op het bord schrijven, als ik geïnteresseerd was ......
Leerlingen kunnen ontstellend grof in de mond zijn. Je went er aan want je went aan alles, maar ik keek dit jaar toch even op van alle vertalingen en bewerkingen van het Amerikaanse 'motherfucker' die de ronde deden. Zeker als er gewoon Tilburgs gesproken wordt (dus altijd eigenlijk) komt het kwetsend over. Op mij, tenminste, want de jongens zitten er niet mee. Er zijn al standaardantwoorden op deze standaardverwensingen, even grof als het origineel, en de klas wordt er niet warm of koud van.
Ik wond me op, wat verbaasde reacties uit de klas tot gevolg had: "Och meneer, 't betekent toch niks."
Maar taalgebruik komt precies, en soms krijgen leerlingen de geest en willen ze zich correct uitdrukken. Daar sta ik dan wel achter, maar binnen zekere grenzen. Want uit onwennigheid komen ze dan met onaanvaardbaar oubollige uitdrukkingen.
Leerling: "Ja zeg, ik zit hier niet voor jan-met-de-korte-achternaam."
Dat vind ik te erg, te truttig voor een aankomende bouwvakker.
"Oh", reageer ik quasi vermoeid, "Je bedoelt Jan Lul?"
De leerling kijkt verbaasd, maar ik trap er niet in: "Of niet dan?"
"]a, dat wel."
Ik: "Nou, zeg dat dan gewoon."
Leerling: "Ja maar, ik dacht..."
Ik: "Dat ik die niet kende."
Leerling: "Zoiets ja."
Andere leerling: "Volgens mij kent ie 'm heel goed."
Weer andere leerling: "'t Zal wel familie van 'm zijn."
Gerard Sanberg
Afgelopen maand was het hek van de dam omdat een hele gang volgeschreven was met kreten die ik hier niet zal herhalen want ik wil het wel netjes houden, maar leerlingen zitten daar niet mee en ik kreeg alles loud and clear door de klas geroepen. Ze wilden het best even op het bord schrijven, als ik geïnteresseerd was ......
Leerlingen kunnen ontstellend grof in de mond zijn. Je went er aan want je went aan alles, maar ik keek dit jaar toch even op van alle vertalingen en bewerkingen van het Amerikaanse 'motherfucker' die de ronde deden. Zeker als er gewoon Tilburgs gesproken wordt (dus altijd eigenlijk) komt het kwetsend over. Op mij, tenminste, want de jongens zitten er niet mee. Er zijn al standaardantwoorden op deze standaardverwensingen, even grof als het origineel, en de klas wordt er niet warm of koud van.
Ik wond me op, wat verbaasde reacties uit de klas tot gevolg had: "Och meneer, 't betekent toch niks."
Maar taalgebruik komt precies, en soms krijgen leerlingen de geest en willen ze zich correct uitdrukken. Daar sta ik dan wel achter, maar binnen zekere grenzen. Want uit onwennigheid komen ze dan met onaanvaardbaar oubollige uitdrukkingen.
Leerling: "Ja zeg, ik zit hier niet voor jan-met-de-korte-achternaam."
Dat vind ik te erg, te truttig voor een aankomende bouwvakker.
"Oh", reageer ik quasi vermoeid, "Je bedoelt Jan Lul?"
De leerling kijkt verbaasd, maar ik trap er niet in: "Of niet dan?"
"]a, dat wel."
Ik: "Nou, zeg dat dan gewoon."
Leerling: "Ja maar, ik dacht..."
Ik: "Dat ik die niet kende."
Leerling: "Zoiets ja."
Andere leerling: "Volgens mij kent ie 'm heel goed."
Weer andere leerling: "'t Zal wel familie van 'm zijn."
Gerard Sanberg
zondag 8 mei 2011
21. Voeden wij op?
Jazeker voeden wij op, al denkt onze gymnastiek-docent dat men daar steeds minder belang aan hecht sinds hij zichzelf weggezet zag als ”begeleider van het fitness gebeuren”. Wij voeden op, als onderwijsgevenden, maar je mag het niet meer zo noemen. Opvoeden, dat ging over ouderwetse deugden als orde, netheid en goed gedrag. En dat kan niet meer, leerlingen deugden bijbrengen. Ik voed mijn leerlingen dus niet meer op met deugden, maar in plaats daarvan leer ik hen dat het bedrijfsleven grote waarde hecht aan sociaal normatieve kwalificaties als discipline, stiptheid, betrouwbaarheid en precisie.
Dat heb ik geweten.
Ik heb 156 proefwerken nagekeken waarin ik de leerlingen vroeg om enkele sociaal normatieve kwalificaties te noemen. Ik weet dat het logisch gezien niet kan, maar toch, ik heb het gevoel dat je een woord als ‘discipline’ op 156 verschillende manieren kunt schrijven.
Wie het wel goed schreef was (merkwaardigerwijs) Vasisht Kohi, een lastige naam om hardop door de klas te roepen want dan is het net of je hem voor ‘fascist’ uitscheldt. En, eerlijk gezegd, ik moet zijn naam nogal eens hardop door de klas roepen want hoewel hij ‘discipline’ foutloos spelt, heeft hij er een duidelijk waarneembaar tekort aan.
In W2a is hij overigens niet de enige, wat dat betreft. Wel wat betreft allochtoonheid (dat is geen woord maar u weet wat ik bedoel): voor de rest zijn dat allemaal melkboerenhondenkoppen in W2a, en eigenlijk geldt dat zo'n beetje voor die hele mts van ons: nog steeds is dat een zeer autochtoon gezelschap.
Uit zuinigheidsoverwegingen en omdat het milieu mij aan het hart gaat gebruik ik als kladpapier vaak blanco achterkanten van kopieën die ik over heb. Zo zat ik laatst in een vergadering met collega’s uit het hele land aantekeningen te maken op de achterkant van een vel met de pasfoto’s van een klas leerlingen. Een collega uit Amsterdam griste het uit mijn handen om de foto’s te bekijken – en vervolgens legde hij er precies zo’n aviertje naast, van zijn eigen klas.
Alsof het een negatief van het mijne was! Zijn lijst bestond bijna geheel uit bruine krullenkoppen, slechts hier en daar kon je een verdwaalde boterbloem zien. Dat is natuurlijk onze toekomst. Het aandeel allochtonen onder de jeugd is vrij groot en dat gaat tot uiting komen in onze klassen. Dat geeft niks natuurlijk, ik vind het prima. Maar we blijven wel opvoeden, want het is aan ons om al die leerlingen, allochtoon of autochtoon, melkboerenhondenhaar of krullenbol, boterbloem of dahlia, sociaal normatieve kwalificaties bij te brengen. Omdat het bedrijfsleven dat op hoge prijs stelt. Maar vooral omdat wij dat zelf nodig vinden.
Gerard Sanberg
Deze dateert van 1995
Dat heb ik geweten.
Ik heb 156 proefwerken nagekeken waarin ik de leerlingen vroeg om enkele sociaal normatieve kwalificaties te noemen. Ik weet dat het logisch gezien niet kan, maar toch, ik heb het gevoel dat je een woord als ‘discipline’ op 156 verschillende manieren kunt schrijven.
Wie het wel goed schreef was (merkwaardigerwijs) Vasisht Kohi, een lastige naam om hardop door de klas te roepen want dan is het net of je hem voor ‘fascist’ uitscheldt. En, eerlijk gezegd, ik moet zijn naam nogal eens hardop door de klas roepen want hoewel hij ‘discipline’ foutloos spelt, heeft hij er een duidelijk waarneembaar tekort aan.
In W2a is hij overigens niet de enige, wat dat betreft. Wel wat betreft allochtoonheid (dat is geen woord maar u weet wat ik bedoel): voor de rest zijn dat allemaal melkboerenhondenkoppen in W2a, en eigenlijk geldt dat zo'n beetje voor die hele mts van ons: nog steeds is dat een zeer autochtoon gezelschap.
Uit zuinigheidsoverwegingen en omdat het milieu mij aan het hart gaat gebruik ik als kladpapier vaak blanco achterkanten van kopieën die ik over heb. Zo zat ik laatst in een vergadering met collega’s uit het hele land aantekeningen te maken op de achterkant van een vel met de pasfoto’s van een klas leerlingen. Een collega uit Amsterdam griste het uit mijn handen om de foto’s te bekijken – en vervolgens legde hij er precies zo’n aviertje naast, van zijn eigen klas.
Alsof het een negatief van het mijne was! Zijn lijst bestond bijna geheel uit bruine krullenkoppen, slechts hier en daar kon je een verdwaalde boterbloem zien. Dat is natuurlijk onze toekomst. Het aandeel allochtonen onder de jeugd is vrij groot en dat gaat tot uiting komen in onze klassen. Dat geeft niks natuurlijk, ik vind het prima. Maar we blijven wel opvoeden, want het is aan ons om al die leerlingen, allochtoon of autochtoon, melkboerenhondenhaar of krullenbol, boterbloem of dahlia, sociaal normatieve kwalificaties bij te brengen. Omdat het bedrijfsleven dat op hoge prijs stelt. Maar vooral omdat wij dat zelf nodig vinden.
Gerard Sanberg
Deze dateert van 1995
woensdag 27 april 2011
20. Duizend bommen en granaten
Op maandag- en dinsdagavond komen de monteurs naar school: volwassen mannen met een volledige dagtaak die hun monteursdiploma willen halen omdat ze dan meer verdienen. Het vervelende is dat wat ze bij ons moeten leren (elektriciteitsleer) niet zoveel te maken heeft met wat ze alledag doen. Het werk dat ze opknappen leren ze in de praktijk, en daar leggen ze praktijkexamens over af met doeltreffende namen als: 'buis', 'kabel', ‘verdeelkasten', ‘metaalbewerken'.
Volgens de wet moeten de monteurs zich ook Maatschappelijk en Cultureel Kwalificeren - kortom, ze krijgen maatschappijleer. Het is niet het populairste vak, maar het is verplicht dus we maken er het beste van. Bij het nakijken van de schriftelijke opdrachten schrijft de wet voor dat ik let op Nederlandse taal en spelling. De grofste overtredingen streep ik dus aan.
De lessen verlopen vaak wat rommelig omdat de monteurs allerlei verhalen hebben over het echte leven, buiten, en af en toe luchten ze hun hart over het krentenwegen en de futiliteiten waar sommige leraren (ik dus) zich noodgedwongen mee bezig houden. De tegenstelling tussen het echte leven en de school is groot, soms.
De monteur. "Ja, het hangt er van af. Dan zit je met z' n tweeën tv te kijken en dan komt er een melding binnen. Balen! Nou, dan kijkt mijn maat naar mij: ga jij maar. Maar ik kijk naar hem: nee, ga jij maar. Ten slotte gaan we met z' n tweeën.
Hij kruipt er naar toe, ik blijf op afstand. Hij kijkt heel goed tot hij denkt dat hij weet wat het is, en dan kruipt hij terug. Hij zegt niks tegen me. Dan kruip ik er heen, ik kijk ook heel goed tot ik denk dat ik weet wat het is. Dan kruip ik terug, en zeg tegen hem wat ik denk. Als hij hetzelfde denkt zijn we er tamelijk zeker van dat het klopt, dat we weten wat het is.
Dan moet één van de twee er weer naar toe, voor de demontage. Maar ja, we zijn niet altijd met z'n tweeën. Dus dan kruip ik er alleen naar toe, scherfwerend pak aan, en sleep ik een touw achter me aan. Anderhalf uur ben je bezig met het blootleggen van zo'n ding. Nou, dan ligt ie bloot en dan maak je een foto en die bind je aan dat touw en die ander achter je, die trekt dat naar zich toe. Die geeft de foto aan de luitenant en die zoekt het op in zijn boekje en als hij dan weet wat het is, dan kun je aan het werk.
Dat duurt vaak ook wel twee uur, hoor. Maar soms kom je er niet achter wat het is of het lukt niet om hem te demonteren. Dan bind ik er driehonderd meter touw aan en kruip weg. Ik ga achter een bunker zitten op minstens vijftig meter afstand en begin te trekken en dan hoop je maar dat je 'boem' hoort, maar dat gebeurt niet altijd. Dan heb je hem een eindje weggetrokken en hij is nog niet ontploft - dat is niet leuk want dan moet je er weer heen.
Ik ben drie keer in Bosnië geweest, want dat betaalt goed hoor, je steekt dertigduizend gulden in je zak per trip. Maar nu kwamen die berichten over Eritrea, en ik keek eens om me heen en we waren nog maar met twee mineurs dus ik dacht, ikke niet. Want Eritrea, daar zit zulke linke troep in de grond, daar kun ie gewoon niks van zeggen. Daar pakken ze een bloempot en die doen ze vol kruit en dat stoppen ze in de grond, en daar mag jij dan aan gaan zitten pulken. Nou, mooi niet.
Dus ik ben naar de Firma Van Hees gestapt en heb gezegd dat wilde ik verdienen - dat vond ie goed. En de opleiding wordt betaald. Ook goed. Dus daarom zit ik nu hier en niet in Eritrea."
Deze wat verbeten monoloog werd uitgelokt doordat ik had zitten doorzagen over dat hij "ik vindt" had geschreven.
Volgens de wet moeten de monteurs zich ook Maatschappelijk en Cultureel Kwalificeren - kortom, ze krijgen maatschappijleer. Het is niet het populairste vak, maar het is verplicht dus we maken er het beste van. Bij het nakijken van de schriftelijke opdrachten schrijft de wet voor dat ik let op Nederlandse taal en spelling. De grofste overtredingen streep ik dus aan.
De lessen verlopen vaak wat rommelig omdat de monteurs allerlei verhalen hebben over het echte leven, buiten, en af en toe luchten ze hun hart over het krentenwegen en de futiliteiten waar sommige leraren (ik dus) zich noodgedwongen mee bezig houden. De tegenstelling tussen het echte leven en de school is groot, soms.
De monteur. "Ja, het hangt er van af. Dan zit je met z' n tweeën tv te kijken en dan komt er een melding binnen. Balen! Nou, dan kijkt mijn maat naar mij: ga jij maar. Maar ik kijk naar hem: nee, ga jij maar. Ten slotte gaan we met z' n tweeën.
Hij kruipt er naar toe, ik blijf op afstand. Hij kijkt heel goed tot hij denkt dat hij weet wat het is, en dan kruipt hij terug. Hij zegt niks tegen me. Dan kruip ik er heen, ik kijk ook heel goed tot ik denk dat ik weet wat het is. Dan kruip ik terug, en zeg tegen hem wat ik denk. Als hij hetzelfde denkt zijn we er tamelijk zeker van dat het klopt, dat we weten wat het is.
Dan moet één van de twee er weer naar toe, voor de demontage. Maar ja, we zijn niet altijd met z'n tweeën. Dus dan kruip ik er alleen naar toe, scherfwerend pak aan, en sleep ik een touw achter me aan. Anderhalf uur ben je bezig met het blootleggen van zo'n ding. Nou, dan ligt ie bloot en dan maak je een foto en die bind je aan dat touw en die ander achter je, die trekt dat naar zich toe. Die geeft de foto aan de luitenant en die zoekt het op in zijn boekje en als hij dan weet wat het is, dan kun je aan het werk.
Dat duurt vaak ook wel twee uur, hoor. Maar soms kom je er niet achter wat het is of het lukt niet om hem te demonteren. Dan bind ik er driehonderd meter touw aan en kruip weg. Ik ga achter een bunker zitten op minstens vijftig meter afstand en begin te trekken en dan hoop je maar dat je 'boem' hoort, maar dat gebeurt niet altijd. Dan heb je hem een eindje weggetrokken en hij is nog niet ontploft - dat is niet leuk want dan moet je er weer heen.
Ik ben drie keer in Bosnië geweest, want dat betaalt goed hoor, je steekt dertigduizend gulden in je zak per trip. Maar nu kwamen die berichten over Eritrea, en ik keek eens om me heen en we waren nog maar met twee mineurs dus ik dacht, ikke niet. Want Eritrea, daar zit zulke linke troep in de grond, daar kun ie gewoon niks van zeggen. Daar pakken ze een bloempot en die doen ze vol kruit en dat stoppen ze in de grond, en daar mag jij dan aan gaan zitten pulken. Nou, mooi niet.
Dus ik ben naar de Firma Van Hees gestapt en heb gezegd dat wilde ik verdienen - dat vond ie goed. En de opleiding wordt betaald. Ook goed. Dus daarom zit ik nu hier en niet in Eritrea."
Deze wat verbeten monoloog werd uitgelokt doordat ik had zitten doorzagen over dat hij "ik vindt" had geschreven.
zaterdag 16 april 2011
19. Harder duwen, dan gaat ie er wel in
Er is een film van Fellini over een orkestrepetitie onder lastige, om niet te zeggen onwerkbare, omstandigheden: de repetitieruimte zit in een gebouw dat wordt afgebroken. De afbraak gaat door, de repetitie ook. Het geluid van de sloop komt dichterbij, maar de dirigent houdt vol. Het orkest vervalt geleidelijk tot anarchie, één van de musici gaat zelfs een vrouwelijke collega te lijf, onder de enorme vleugel.
Lesgeven aan de MTS in Tilburg leek een beetje op die orkestrepetitie, de afgelopen weken.
Tegenover onze school zijn ze begonnen met de nieuwbouw, maar een deel van de nieuwbouw moet aansluiten op de oudbouw (ons gebouw dus). Dus moet een deel van de oudbouw worden opengebroken om die aansluiting te kunnen maken. Voor de bouwvakkers is het geen probleem maar gewoon werk, maar voor ons werk is het een probleem. Wij geven les en dat is geen pretje.Zo moest de kiezel van ons dak. Daar wordt dan zo’n samengestelde slurf voor in stelling gebracht (aan elkaar gekoppelde plastic emmers zonder bodem) die uitmondt in een ijzeren container.
Kunt u zich voorstellen wat voor een kabaal dat maakt, als een kruiwagenlading kiezel twaalf meter valt in een ijzeren bak? Die bak stond recht onder het raam van mijn lokaal. De slurf liep op, pakweg, 40 cm van dat raam. Ik had het zo geregeld: achterin de klas zat een leerling die elke vijf minuten een bouwvakker (‘Marco’, wisten wij inmiddels van de luide conversatie op het dak) met een kruiwagen vol kiezels aan de dakrand zag verschijnen. Telkens als Marco zijn lading in de slurf mikte, stak die leerling zijn hand op. Ik hield dan abrupt mijn mond, midden in een zin. Na 30 tellen donderend geraas maakte ik mijn zin af.
Eventjes was dat leuk, vooral toen die jongen achterin de klas een vals signaal gaf en ik mijn mond hield midden in de zin en de klas vol spanning wachtte op het geraas en dat niet kwam: “Grapje meneer.”
Moet kunnen, maar ik raakte toch behoorlijk gestresst, net als de dirigent van Fellini.
‘Probe di ochestra’ eindigt ermee dat er een enorme sloopkogel door de zaalmuur beukt en de orkestleden in paniek wegvluchten. Zo ver is het niet gekomen, bij ons op de MTS. Bovendien gingen de lessen over Seks en relaties, dus ik kon rekenen op de aandacht van de leerlingen. Maar aan alle concentratie kwam echter een bulderend, hilarisch, ja ovationeel einde toen de klas, doodstil, een tekst zat te lezen over seks en neuken, terwijl Marco en zijn maat op het dak bezig waren de slurf opnieuw in stelling te brengen. Dwars door die geconcentreerde stilte klonk ineens van buitenaf:
“He, Marco, zit ie er nou in?”
“Nèè, ge moet un bietje harder duwen, dan gaat ie 'r wel in.”
Dat was in mei 1995. Juni 1996 trokken we in het nieuwe gebouw en was het ROC een feit.
Lesgeven aan de MTS in Tilburg leek een beetje op die orkestrepetitie, de afgelopen weken.
Tegenover onze school zijn ze begonnen met de nieuwbouw, maar een deel van de nieuwbouw moet aansluiten op de oudbouw (ons gebouw dus). Dus moet een deel van de oudbouw worden opengebroken om die aansluiting te kunnen maken. Voor de bouwvakkers is het geen probleem maar gewoon werk, maar voor ons werk is het een probleem. Wij geven les en dat is geen pretje.Zo moest de kiezel van ons dak. Daar wordt dan zo’n samengestelde slurf voor in stelling gebracht (aan elkaar gekoppelde plastic emmers zonder bodem) die uitmondt in een ijzeren container.
Kunt u zich voorstellen wat voor een kabaal dat maakt, als een kruiwagenlading kiezel twaalf meter valt in een ijzeren bak? Die bak stond recht onder het raam van mijn lokaal. De slurf liep op, pakweg, 40 cm van dat raam. Ik had het zo geregeld: achterin de klas zat een leerling die elke vijf minuten een bouwvakker (‘Marco’, wisten wij inmiddels van de luide conversatie op het dak) met een kruiwagen vol kiezels aan de dakrand zag verschijnen. Telkens als Marco zijn lading in de slurf mikte, stak die leerling zijn hand op. Ik hield dan abrupt mijn mond, midden in een zin. Na 30 tellen donderend geraas maakte ik mijn zin af.
Eventjes was dat leuk, vooral toen die jongen achterin de klas een vals signaal gaf en ik mijn mond hield midden in de zin en de klas vol spanning wachtte op het geraas en dat niet kwam: “Grapje meneer.”
Moet kunnen, maar ik raakte toch behoorlijk gestresst, net als de dirigent van Fellini.
‘Probe di ochestra’ eindigt ermee dat er een enorme sloopkogel door de zaalmuur beukt en de orkestleden in paniek wegvluchten. Zo ver is het niet gekomen, bij ons op de MTS. Bovendien gingen de lessen over Seks en relaties, dus ik kon rekenen op de aandacht van de leerlingen. Maar aan alle concentratie kwam echter een bulderend, hilarisch, ja ovationeel einde toen de klas, doodstil, een tekst zat te lezen over seks en neuken, terwijl Marco en zijn maat op het dak bezig waren de slurf opnieuw in stelling te brengen. Dwars door die geconcentreerde stilte klonk ineens van buitenaf:
“He, Marco, zit ie er nou in?”
“Nèè, ge moet un bietje harder duwen, dan gaat ie 'r wel in.”
Dat was in mei 1995. Juni 1996 trokken we in het nieuwe gebouw en was het ROC een feit.
zaterdag 9 april 2011
18. Het heeft 3 letters en het begint met een ´ l ´
De monteurs - BBL niveau 2 - komen 1 dag per week naar school voor 6 uur vakleer en 1 uur maatschappijleer. In de praktijk gaat dat anders, want deze groep werkt bij GTI en krijgt les op de bedrijfsschool in Oisterwijk. Daar gaat een vakdocent dus 1 dag per week heen. Maar ik ga niet elke week naar Oisterwijk fietsen voor 1 uur maatschappijleer. Dus?
Ze krijgen 3 weken lang 7 uur vaktheorie. De 4e week krijgen ze 3 uur vaktheorie en 4 uur maatschappijleer.
Ha! 4 uur maatschappijleer! De monteurs! Gelukkig kom ik van goede huize.
Om 11.00 uur kom ik het lokaal binnen en dan zijn ze blij me te zien: na 3 uur komt vaktheorie ze de keel uit. Dus gaan we welgemoed van start. Om 12.00 uur gaan we eten. Zij friet met fris en sigaretten buiten, ik boterhammen met thee in het kantoortje van de praktijkopleider.
Om 12.30 uur beginnen we weer. Met opdrachten die ze individueel moeten maken, uit hun maatschappijleerboek. (Dat ik zelf geschreven heb. Om gezeur over ‘boek vergeten’ te voorkomen, heeft de bedrijfsschool er 20 in de kast liggen.)
Ik deel boeken en opdrachten uit, de jongens gaan aan het werk. Dat gaat best goed, een tijdje. Ze werken met z’n tweeën, maken af en toe een grap of laten een scheet, maar ze blijven bezig met de opdrachten. Mijn gedrag is belangrijk: als ik voor de klas ga zitten om ze in de gaten te houden, gaan ze klooien. Wat ik doe is: door het lokaal slenteren. Ik raap propjes op, zet stoelen recht, kijk over schouders mee naar antwoorden, corrigeer schrijffouten, lees de gebruiksaanwijzing van de brandblusser, maan terloops onruststokers tot orde – kortom, echt werk.
Een half uur is het echte, absolute en totale maximum dat ze dit rustig kunnen. Dan is het op en moet ik met iets anders komen. Bijvoorbeeld de vragen bespreken (maar pas op, want als ik alle vragen bespreek en van goede antwoorden voorzie, en zij weten dat dat komt, dan doen ze niks tijdens het voor-zichzelf-werken) of nog iets uitleggen met aantekeningen erbij. Maar alles slijt, en we moeten nog tot half drie. Tot half drie! Goede raad is duur – maar de video is nabij.
Video! 4 uur maatschappijleer achter elkaar is niet door te komen (voor leerlingen noch docent) zonder audiovisuele hulpmiddelen. Dus ik zorg elke keer voor een videoband die iets met het onderwerp van de les te maken heeft. Ik ben de enige die dat criterium belangrijk vind, overigens. Het zal de jongens worst wezen waar het over gaat, als het maar beweegt. En elke les vraagt er wel eentje om ‘Een HP-film met veel SM’.
“Nee, die bewaar ik voor thuis”, zeg ik dan.
“Ja”, krijg ik terug, “Mijn vader houdt ook wel van een Harde Politiefilm met veel Spannende Momenten.”
Ja, flauw is soms leuk, maar de videobanden die bestemd zijn voor maatschappijleer kunnen maar matig boeien. Verkiezingen, parlement, vakbond… zelf kijk ik er ook niet voor mijn lol naar. Criminaliteit scoort beter. En ik heb een goeie band over racisme. Maar liever: een speelfilm. Zo gebruik ik ‘Pieter Daens’ bij de onderwerpen arbeid, loonstrijd, vakbonden, cao’s, etc. Bij veel onderwerpen, want het is een lange film en ik draai dan elke keer bijvoorbeeld 3 kwartier.
Dan hebben we nog een kwartier – en dat is geen enkel probleem. De sfeer is wat slaperig na de film, ik deel de laatste opdrachten uit en zeg dat ze die volgende keer af moeten hebben en dat ze daar de rest van de les aan kunnen werken. Wat ze hier niet afkrijgen doen ze thuis maar.
Dan is het tijd en mag ik naar huis. Zij ook – als ze snipperuren opnemen. Want dit is een bedrijf, ze worden betaald en als ze om half drie naar huis willen moeten ze twee snipperuren nemen.
Apart, toch?
PS
“He meneer, het heeft 3 letters en het begint met een ‘l’?”
“Les! Ha! U dacht iets anders he?”
Ze krijgen 3 weken lang 7 uur vaktheorie. De 4e week krijgen ze 3 uur vaktheorie en 4 uur maatschappijleer.
Ha! 4 uur maatschappijleer! De monteurs! Gelukkig kom ik van goede huize.
Om 11.00 uur kom ik het lokaal binnen en dan zijn ze blij me te zien: na 3 uur komt vaktheorie ze de keel uit. Dus gaan we welgemoed van start. Om 12.00 uur gaan we eten. Zij friet met fris en sigaretten buiten, ik boterhammen met thee in het kantoortje van de praktijkopleider.
Om 12.30 uur beginnen we weer. Met opdrachten die ze individueel moeten maken, uit hun maatschappijleerboek. (Dat ik zelf geschreven heb. Om gezeur over ‘boek vergeten’ te voorkomen, heeft de bedrijfsschool er 20 in de kast liggen.)
Ik deel boeken en opdrachten uit, de jongens gaan aan het werk. Dat gaat best goed, een tijdje. Ze werken met z’n tweeën, maken af en toe een grap of laten een scheet, maar ze blijven bezig met de opdrachten. Mijn gedrag is belangrijk: als ik voor de klas ga zitten om ze in de gaten te houden, gaan ze klooien. Wat ik doe is: door het lokaal slenteren. Ik raap propjes op, zet stoelen recht, kijk over schouders mee naar antwoorden, corrigeer schrijffouten, lees de gebruiksaanwijzing van de brandblusser, maan terloops onruststokers tot orde – kortom, echt werk.
Een half uur is het echte, absolute en totale maximum dat ze dit rustig kunnen. Dan is het op en moet ik met iets anders komen. Bijvoorbeeld de vragen bespreken (maar pas op, want als ik alle vragen bespreek en van goede antwoorden voorzie, en zij weten dat dat komt, dan doen ze niks tijdens het voor-zichzelf-werken) of nog iets uitleggen met aantekeningen erbij. Maar alles slijt, en we moeten nog tot half drie. Tot half drie! Goede raad is duur – maar de video is nabij.
Video! 4 uur maatschappijleer achter elkaar is niet door te komen (voor leerlingen noch docent) zonder audiovisuele hulpmiddelen. Dus ik zorg elke keer voor een videoband die iets met het onderwerp van de les te maken heeft. Ik ben de enige die dat criterium belangrijk vind, overigens. Het zal de jongens worst wezen waar het over gaat, als het maar beweegt. En elke les vraagt er wel eentje om ‘Een HP-film met veel SM’.
“Nee, die bewaar ik voor thuis”, zeg ik dan.
“Ja”, krijg ik terug, “Mijn vader houdt ook wel van een Harde Politiefilm met veel Spannende Momenten.”
Ja, flauw is soms leuk, maar de videobanden die bestemd zijn voor maatschappijleer kunnen maar matig boeien. Verkiezingen, parlement, vakbond… zelf kijk ik er ook niet voor mijn lol naar. Criminaliteit scoort beter. En ik heb een goeie band over racisme. Maar liever: een speelfilm. Zo gebruik ik ‘Pieter Daens’ bij de onderwerpen arbeid, loonstrijd, vakbonden, cao’s, etc. Bij veel onderwerpen, want het is een lange film en ik draai dan elke keer bijvoorbeeld 3 kwartier.
Dan hebben we nog een kwartier – en dat is geen enkel probleem. De sfeer is wat slaperig na de film, ik deel de laatste opdrachten uit en zeg dat ze die volgende keer af moeten hebben en dat ze daar de rest van de les aan kunnen werken. Wat ze hier niet afkrijgen doen ze thuis maar.
Dan is het tijd en mag ik naar huis. Zij ook – als ze snipperuren opnemen. Want dit is een bedrijf, ze worden betaald en als ze om half drie naar huis willen moeten ze twee snipperuren nemen.
Apart, toch?
PS
“He meneer, het heeft 3 letters en het begint met een ‘l’?”
“Les! Ha! U dacht iets anders he?”
Abonneren op:
Posts (Atom)