Er is een film van Fellini over een orkestrepetitie onder lastige, om niet te zeggen onwerkbare, omstandigheden: de repetitieruimte zit in een gebouw dat wordt afgebroken. De afbraak gaat door, de repetitie ook. Het geluid van de sloop komt dichterbij, maar de dirigent houdt vol. Het orkest vervalt geleidelijk tot anarchie, één van de musici gaat zelfs een vrouwelijke collega te lijf, onder de enorme vleugel.
Lesgeven aan de MTS in Tilburg leek een beetje op die orkestrepetitie, de afgelopen weken.
Tegenover onze school zijn ze begonnen met de nieuwbouw, maar een deel van de nieuwbouw moet aansluiten op de oudbouw (ons gebouw dus). Dus moet een deel van de oudbouw worden opengebroken om die aansluiting te kunnen maken. Voor de bouwvakkers is het geen probleem maar gewoon werk, maar voor ons werk is het een probleem. Wij geven les en dat is geen pretje.Zo moest de kiezel van ons dak. Daar wordt dan zo’n samengestelde slurf voor in stelling gebracht (aan elkaar gekoppelde plastic emmers zonder bodem) die uitmondt in een ijzeren container.
Kunt u zich voorstellen wat voor een kabaal dat maakt, als een kruiwagenlading kiezel twaalf meter valt in een ijzeren bak? Die bak stond recht onder het raam van mijn lokaal. De slurf liep op, pakweg, 40 cm van dat raam. Ik had het zo geregeld: achterin de klas zat een leerling die elke vijf minuten een bouwvakker (‘Marco’, wisten wij inmiddels van de luide conversatie op het dak) met een kruiwagen vol kiezels aan de dakrand zag verschijnen. Telkens als Marco zijn lading in de slurf mikte, stak die leerling zijn hand op. Ik hield dan abrupt mijn mond, midden in een zin. Na 30 tellen donderend geraas maakte ik mijn zin af.
Eventjes was dat leuk, vooral toen die jongen achterin de klas een vals signaal gaf en ik mijn mond hield midden in de zin en de klas vol spanning wachtte op het geraas en dat niet kwam: “Grapje meneer.”
Moet kunnen, maar ik raakte toch behoorlijk gestresst, net als de dirigent van Fellini.
‘Probe di ochestra’ eindigt ermee dat er een enorme sloopkogel door de zaalmuur beukt en de orkestleden in paniek wegvluchten. Zo ver is het niet gekomen, bij ons op de MTS. Bovendien gingen de lessen over Seks en relaties, dus ik kon rekenen op de aandacht van de leerlingen. Maar aan alle concentratie kwam echter een bulderend, hilarisch, ja ovationeel einde toen de klas, doodstil, een tekst zat te lezen over seks en neuken, terwijl Marco en zijn maat op het dak bezig waren de slurf opnieuw in stelling te brengen. Dwars door die geconcentreerde stilte klonk ineens van buitenaf:
“He, Marco, zit ie er nou in?”
“Nèè, ge moet un bietje harder duwen, dan gaat ie 'r wel in.”
Dat was in mei 1995. Juni 1996 trokken we in het nieuwe gebouw en was het ROC een feit.
zaterdag 16 april 2011
zaterdag 9 april 2011
18. Het heeft 3 letters en het begint met een ´ l ´
De monteurs - BBL niveau 2 - komen 1 dag per week naar school voor 6 uur vakleer en 1 uur maatschappijleer. In de praktijk gaat dat anders, want deze groep werkt bij GTI en krijgt les op de bedrijfsschool in Oisterwijk. Daar gaat een vakdocent dus 1 dag per week heen. Maar ik ga niet elke week naar Oisterwijk fietsen voor 1 uur maatschappijleer. Dus?
Ze krijgen 3 weken lang 7 uur vaktheorie. De 4e week krijgen ze 3 uur vaktheorie en 4 uur maatschappijleer.
Ha! 4 uur maatschappijleer! De monteurs! Gelukkig kom ik van goede huize.
Om 11.00 uur kom ik het lokaal binnen en dan zijn ze blij me te zien: na 3 uur komt vaktheorie ze de keel uit. Dus gaan we welgemoed van start. Om 12.00 uur gaan we eten. Zij friet met fris en sigaretten buiten, ik boterhammen met thee in het kantoortje van de praktijkopleider.
Om 12.30 uur beginnen we weer. Met opdrachten die ze individueel moeten maken, uit hun maatschappijleerboek. (Dat ik zelf geschreven heb. Om gezeur over ‘boek vergeten’ te voorkomen, heeft de bedrijfsschool er 20 in de kast liggen.)
Ik deel boeken en opdrachten uit, de jongens gaan aan het werk. Dat gaat best goed, een tijdje. Ze werken met z’n tweeën, maken af en toe een grap of laten een scheet, maar ze blijven bezig met de opdrachten. Mijn gedrag is belangrijk: als ik voor de klas ga zitten om ze in de gaten te houden, gaan ze klooien. Wat ik doe is: door het lokaal slenteren. Ik raap propjes op, zet stoelen recht, kijk over schouders mee naar antwoorden, corrigeer schrijffouten, lees de gebruiksaanwijzing van de brandblusser, maan terloops onruststokers tot orde – kortom, echt werk.
Een half uur is het echte, absolute en totale maximum dat ze dit rustig kunnen. Dan is het op en moet ik met iets anders komen. Bijvoorbeeld de vragen bespreken (maar pas op, want als ik alle vragen bespreek en van goede antwoorden voorzie, en zij weten dat dat komt, dan doen ze niks tijdens het voor-zichzelf-werken) of nog iets uitleggen met aantekeningen erbij. Maar alles slijt, en we moeten nog tot half drie. Tot half drie! Goede raad is duur – maar de video is nabij.
Video! 4 uur maatschappijleer achter elkaar is niet door te komen (voor leerlingen noch docent) zonder audiovisuele hulpmiddelen. Dus ik zorg elke keer voor een videoband die iets met het onderwerp van de les te maken heeft. Ik ben de enige die dat criterium belangrijk vind, overigens. Het zal de jongens worst wezen waar het over gaat, als het maar beweegt. En elke les vraagt er wel eentje om ‘Een HP-film met veel SM’.
“Nee, die bewaar ik voor thuis”, zeg ik dan.
“Ja”, krijg ik terug, “Mijn vader houdt ook wel van een Harde Politiefilm met veel Spannende Momenten.”
Ja, flauw is soms leuk, maar de videobanden die bestemd zijn voor maatschappijleer kunnen maar matig boeien. Verkiezingen, parlement, vakbond… zelf kijk ik er ook niet voor mijn lol naar. Criminaliteit scoort beter. En ik heb een goeie band over racisme. Maar liever: een speelfilm. Zo gebruik ik ‘Pieter Daens’ bij de onderwerpen arbeid, loonstrijd, vakbonden, cao’s, etc. Bij veel onderwerpen, want het is een lange film en ik draai dan elke keer bijvoorbeeld 3 kwartier.
Dan hebben we nog een kwartier – en dat is geen enkel probleem. De sfeer is wat slaperig na de film, ik deel de laatste opdrachten uit en zeg dat ze die volgende keer af moeten hebben en dat ze daar de rest van de les aan kunnen werken. Wat ze hier niet afkrijgen doen ze thuis maar.
Dan is het tijd en mag ik naar huis. Zij ook – als ze snipperuren opnemen. Want dit is een bedrijf, ze worden betaald en als ze om half drie naar huis willen moeten ze twee snipperuren nemen.
Apart, toch?
PS
“He meneer, het heeft 3 letters en het begint met een ‘l’?”
“Les! Ha! U dacht iets anders he?”
Ze krijgen 3 weken lang 7 uur vaktheorie. De 4e week krijgen ze 3 uur vaktheorie en 4 uur maatschappijleer.
Ha! 4 uur maatschappijleer! De monteurs! Gelukkig kom ik van goede huize.
Om 11.00 uur kom ik het lokaal binnen en dan zijn ze blij me te zien: na 3 uur komt vaktheorie ze de keel uit. Dus gaan we welgemoed van start. Om 12.00 uur gaan we eten. Zij friet met fris en sigaretten buiten, ik boterhammen met thee in het kantoortje van de praktijkopleider.
Om 12.30 uur beginnen we weer. Met opdrachten die ze individueel moeten maken, uit hun maatschappijleerboek. (Dat ik zelf geschreven heb. Om gezeur over ‘boek vergeten’ te voorkomen, heeft de bedrijfsschool er 20 in de kast liggen.)
Ik deel boeken en opdrachten uit, de jongens gaan aan het werk. Dat gaat best goed, een tijdje. Ze werken met z’n tweeën, maken af en toe een grap of laten een scheet, maar ze blijven bezig met de opdrachten. Mijn gedrag is belangrijk: als ik voor de klas ga zitten om ze in de gaten te houden, gaan ze klooien. Wat ik doe is: door het lokaal slenteren. Ik raap propjes op, zet stoelen recht, kijk over schouders mee naar antwoorden, corrigeer schrijffouten, lees de gebruiksaanwijzing van de brandblusser, maan terloops onruststokers tot orde – kortom, echt werk.
Een half uur is het echte, absolute en totale maximum dat ze dit rustig kunnen. Dan is het op en moet ik met iets anders komen. Bijvoorbeeld de vragen bespreken (maar pas op, want als ik alle vragen bespreek en van goede antwoorden voorzie, en zij weten dat dat komt, dan doen ze niks tijdens het voor-zichzelf-werken) of nog iets uitleggen met aantekeningen erbij. Maar alles slijt, en we moeten nog tot half drie. Tot half drie! Goede raad is duur – maar de video is nabij.
Video! 4 uur maatschappijleer achter elkaar is niet door te komen (voor leerlingen noch docent) zonder audiovisuele hulpmiddelen. Dus ik zorg elke keer voor een videoband die iets met het onderwerp van de les te maken heeft. Ik ben de enige die dat criterium belangrijk vind, overigens. Het zal de jongens worst wezen waar het over gaat, als het maar beweegt. En elke les vraagt er wel eentje om ‘Een HP-film met veel SM’.
“Nee, die bewaar ik voor thuis”, zeg ik dan.
“Ja”, krijg ik terug, “Mijn vader houdt ook wel van een Harde Politiefilm met veel Spannende Momenten.”
Ja, flauw is soms leuk, maar de videobanden die bestemd zijn voor maatschappijleer kunnen maar matig boeien. Verkiezingen, parlement, vakbond… zelf kijk ik er ook niet voor mijn lol naar. Criminaliteit scoort beter. En ik heb een goeie band over racisme. Maar liever: een speelfilm. Zo gebruik ik ‘Pieter Daens’ bij de onderwerpen arbeid, loonstrijd, vakbonden, cao’s, etc. Bij veel onderwerpen, want het is een lange film en ik draai dan elke keer bijvoorbeeld 3 kwartier.
Dan hebben we nog een kwartier – en dat is geen enkel probleem. De sfeer is wat slaperig na de film, ik deel de laatste opdrachten uit en zeg dat ze die volgende keer af moeten hebben en dat ze daar de rest van de les aan kunnen werken. Wat ze hier niet afkrijgen doen ze thuis maar.
Dan is het tijd en mag ik naar huis. Zij ook – als ze snipperuren opnemen. Want dit is een bedrijf, ze worden betaald en als ze om half drie naar huis willen moeten ze twee snipperuren nemen.
Apart, toch?
PS
“He meneer, het heeft 3 letters en het begint met een ‘l’?”
“Les! Ha! U dacht iets anders he?”
zaterdag 2 april 2011
18. Men and boys: the difference is the price of their toys
Het is de eerste zaterdag van de grote vakantie en om 08.00 uur meld ik bij de ingang van vliegbasis Gilze-Rijen. Daar staat al een menigte, maar ik heb een pasje dus voor mij doen ze de poort open. Nonchalant fluitend fiets ik tussen geparkeerde bommenwerpers, straaljagers, awacs en helicopters naar shelter 614. De bunker is somber, maar gelukkig hebben we genoeg licht in de ROC-stand. Helaas hebben we niets dat beweegt en geluid maakt. Ik bedoel: iets elektronisch, want zelf bewegen we natuurlijk wel en we maken ook geluid, maar de andere stands (Hogeschool Haarlem, Hogeschool Amsterdam, Standard Aero, TU Delft) hebben beeldschermen waarop je bijvoorbeeld ‘flight simulator’ kunt doen. Ideaal om jongetjespubliek te trekken. En op de Open Dag van de luchtmacht komen veel jongetjes. Jongetjes van 8 en jongetjes van 80 en alles er tussenin.
Veel van die jongetjes hebben gekke petjes op: vechtpetjes, baseball petjes van alle denkbare squadrons en eenheden. Onder die petjes staan hun gezichten opgewonden van dat mooie spul van de luchtmacht, en onder die gezichten dragen ze fantasievolle uitrustingen (speelgoedkleren): quasi militaire bodywarmers met veel zakken en zakjes, t-shirts met strijdlustige opschiften en beeltenissen, gevechtsbroeken. Veel laarzen ook, of halfhoge schoenen.
Af en toe komt er een groepje rustige mannen langs in kale, geheel van fantasie gespeende overalls. Ze worden met ontzag bekeken door de speelgoedklerendragers: dat zijn echte, de vliegers van een of ander stuntteam.
Ik ben natuurlijk ook een jongetje en ik vind al die spullen ook mooi, maar ik ben vandaag on duty dus ik draag een keurig pak en een fleurige stropdas. In het kader van promotie van onze luchtvaartopleidingen staan we op de Open Dag van de Koninklijke Luchtmacht in Gilze-Rijen. Wat later komen onze stewardessen in een fraai, blauwe pakje het roc-team versterken. Ja, dat is mooi, stewardessen, dat trekt ook jongetjes dus het loopt best goed.
Hoe gaat het dan verder op zo’n dag? Ach, z’n gangetje. Komt er een meisje langs dan roep je: opleiding tot stewardess – niks voor jou? Komt er een jongen langs dan roep je: Luchtvaarttechniek, hartstikke leuk joh. Je verveelt je wat, je loopt eens de hal uit de open lucht in. Er komen collega’s langs, dat is leuk. En elke keer als je een haffel pepermuntjes over de tafel uitstrooit duiken uit het niets bendes jongetjes van een jaar of tien op en graaien die weer van tafel – in een mum van tijd zijn de versnaperingen verdwenen.
Drie keer probeer ik ‘luchtvaarttechniek’ te slijten aan jongens die al bij ons op school zitten: luchtvaartleerlingen zijn natuurlijk zeer geïnteresseerd in de luchtmacht. Er komt iemand langs die generatoren aan onze school wil schenken om aan te sleutelen. Er komt iemand langs van Schiphol: die wil met ons samenwerken maar dan moeten we wel voldoen aan de JAR 137.
Moe fiets ik om zes uur naar huis. Voldaan? Ha, wat heet? Hartstikke trots ben ik. De Fokker Luchtvaart School stond er. Standard Aero. Hogeschool Haarlem. Stork Aviation. Hogeschool Amsterdam. TU Delft. TNO. Het Nederlands Luchtvaartcollege. En daartussen: ‘ROC Midden-Brabant. Luchtvaartopleidingen.’
Zegt het voort, zegt het voort.
Gerard Sanberg
In het kader van 'het oude beroepsonderwijs' haal ik hier herinneringen op aan de RK MTS in Tilburg.
Veel van die jongetjes hebben gekke petjes op: vechtpetjes, baseball petjes van alle denkbare squadrons en eenheden. Onder die petjes staan hun gezichten opgewonden van dat mooie spul van de luchtmacht, en onder die gezichten dragen ze fantasievolle uitrustingen (speelgoedkleren): quasi militaire bodywarmers met veel zakken en zakjes, t-shirts met strijdlustige opschiften en beeltenissen, gevechtsbroeken. Veel laarzen ook, of halfhoge schoenen.
Af en toe komt er een groepje rustige mannen langs in kale, geheel van fantasie gespeende overalls. Ze worden met ontzag bekeken door de speelgoedklerendragers: dat zijn echte, de vliegers van een of ander stuntteam.
Ik ben natuurlijk ook een jongetje en ik vind al die spullen ook mooi, maar ik ben vandaag on duty dus ik draag een keurig pak en een fleurige stropdas. In het kader van promotie van onze luchtvaartopleidingen staan we op de Open Dag van de Koninklijke Luchtmacht in Gilze-Rijen. Wat later komen onze stewardessen in een fraai, blauwe pakje het roc-team versterken. Ja, dat is mooi, stewardessen, dat trekt ook jongetjes dus het loopt best goed.
Hoe gaat het dan verder op zo’n dag? Ach, z’n gangetje. Komt er een meisje langs dan roep je: opleiding tot stewardess – niks voor jou? Komt er een jongen langs dan roep je: Luchtvaarttechniek, hartstikke leuk joh. Je verveelt je wat, je loopt eens de hal uit de open lucht in. Er komen collega’s langs, dat is leuk. En elke keer als je een haffel pepermuntjes over de tafel uitstrooit duiken uit het niets bendes jongetjes van een jaar of tien op en graaien die weer van tafel – in een mum van tijd zijn de versnaperingen verdwenen.
Drie keer probeer ik ‘luchtvaarttechniek’ te slijten aan jongens die al bij ons op school zitten: luchtvaartleerlingen zijn natuurlijk zeer geïnteresseerd in de luchtmacht. Er komt iemand langs die generatoren aan onze school wil schenken om aan te sleutelen. Er komt iemand langs van Schiphol: die wil met ons samenwerken maar dan moeten we wel voldoen aan de JAR 137.
Moe fiets ik om zes uur naar huis. Voldaan? Ha, wat heet? Hartstikke trots ben ik. De Fokker Luchtvaart School stond er. Standard Aero. Hogeschool Haarlem. Stork Aviation. Hogeschool Amsterdam. TU Delft. TNO. Het Nederlands Luchtvaartcollege. En daartussen: ‘ROC Midden-Brabant. Luchtvaartopleidingen.’
Zegt het voort, zegt het voort.
Gerard Sanberg
In het kader van 'het oude beroepsonderwijs' haal ik hier herinneringen op aan de RK MTS in Tilburg.
zaterdag 26 maart 2011
16. Paul Newman!
De bedrijfsschool van de GTI wordt opnieuw ingericht, dus ik stap binnen, om 08.00 uur 's morgens, en zie: leeg! Hartstikke leeg! Staat helemaal niks meer in! De werkmeester moet lachen om mijn reactie: "Ja, we zijn weer eens beroofd."
Dat is al eerder gebeurd en heel even geloof ik hem maar dan realiseer ik me dat inbrekers geen stoelen en tafels wegslepen. We wachten op de vrachtauto van Overtoom ('tuut tuut' staat op de zijkant. En 'tuut tuut' doet hij.), die komt om kwart over acht.
Net als de leerlingen krijgt de chauffeur eerst een kop koffie. We drommen samen bij de poort, de enige plek waar gerookt mag worden. Beetje grappen, beetje dollen. 20 jongens van een jaar of 18, allemaal gewend aan lichamelijk werk maar vandaag naar school dus een makkie. Allemaal bekertje koffie in de ene hand, sjekkie in de andere. Het is prachtig weer, een vroege lente dampt over het industrieterrein, de geur van koffie en verse shag hangt in de lucht. De chauffeur springt op de laadklep en manoevreert met een pompwagentje en volle pallets. De laadklep gaat met een gedempte zoem naar beneden en de chauffeur schuift de eerste pallet met verpakte meubelen de stoep op.
De werkmeester van GTI grijpt het eerste pak met stoelpoten en geeft het aan de leerling die het dichtst bij hem staat: "Dit moet naar de praktijkruimte."
Ha! Het is vroeg, de nevel hangt over de velden, we zijn er net - en nu gaan we de handen uit de mouwen steken. Ja! De werkmeester verdeelt de pakken. "Dit naar kantoor Dit naar het theorielokaal. Naar de praktijkruimte. Pak aan, Remco. Voorzichtig met die kast. Die is groot - met z'n tweeën."
De ene leerling is breed en pakt een stapel alleen (onder gejoel), andere leerlingen zijn smaller en doen het vanzelf met z'n tweeën. Ik kijk en drink cappuccino. De chauffeur krijgt er ook lol in en voert het tempo op, maar de jongens houden hem gemakkelijk bij en in tien minuten is de vracht gelost.
Voldaan kijken we naar de lege laadruimte en de lege stoep. Alles staat waar het moet komen - nu nog uitpakken en in elkaar zetten. Dat doen we morgen, nu is er les.
Waarover? Over werk! Waarom werken wij? Zonder aarzelen komt het antwoord, unaniem: voor het geld! Ja, natuurlijk. Als ze je niet betalen, kom je niet. Maar werk geeft toch nog meer dan alleen verdienste?
Oh ja? Ja! Glazige blikken.
Waar moet ik aan denken7 Aan een film met Paul Newman. Speelt in een Amerikaanse buitengevangenis in de jaren '50. Forced labour. Geketende gevangenen die 's morgens in een rij het veld in trekken, onder begeleiding van bewakers te paard, om met de hand een weg aan te leggen. Met schoppen en steenslag ('working on the chain'). Paul Newman is de nieuwe man in de gevangenis en hij ‘krijgt de geest’: terwijl ze altijd zo langzaam mogelijk werken (net niet stilstaan en omvallen), kijkt hij over de dampende velden, naar het gereedliggende steenslag, de opkomende zon - en hij spuwt in zijn handen en pakt zijn schop beet en gaat aan het werk. Tempo! Energie!
De anderen lachen eerst maar het werkt aanstekelijk en dan krijgt iedereen de geest: we zullen ze eens wat laten zien. Als een bezetene gaat de hele ploeg te keer en halverwege de dag worden de gevangenen teruggeleid naar het kamp: het werk van de hele dag is in een paar uur geklaard, meer ligt er niet klaar.
De mannen grijnzen voldaan naar elkaar, Paul Newman mompelt: They never seen a man work.
In het kader van het oude beroepsonderwijs haal ik hier herinneringen op aan de RK MTS, jaren 90.
Dat is al eerder gebeurd en heel even geloof ik hem maar dan realiseer ik me dat inbrekers geen stoelen en tafels wegslepen. We wachten op de vrachtauto van Overtoom ('tuut tuut' staat op de zijkant. En 'tuut tuut' doet hij.), die komt om kwart over acht.
Net als de leerlingen krijgt de chauffeur eerst een kop koffie. We drommen samen bij de poort, de enige plek waar gerookt mag worden. Beetje grappen, beetje dollen. 20 jongens van een jaar of 18, allemaal gewend aan lichamelijk werk maar vandaag naar school dus een makkie. Allemaal bekertje koffie in de ene hand, sjekkie in de andere. Het is prachtig weer, een vroege lente dampt over het industrieterrein, de geur van koffie en verse shag hangt in de lucht. De chauffeur springt op de laadklep en manoevreert met een pompwagentje en volle pallets. De laadklep gaat met een gedempte zoem naar beneden en de chauffeur schuift de eerste pallet met verpakte meubelen de stoep op.
De werkmeester van GTI grijpt het eerste pak met stoelpoten en geeft het aan de leerling die het dichtst bij hem staat: "Dit moet naar de praktijkruimte."
Ha! Het is vroeg, de nevel hangt over de velden, we zijn er net - en nu gaan we de handen uit de mouwen steken. Ja! De werkmeester verdeelt de pakken. "Dit naar kantoor Dit naar het theorielokaal. Naar de praktijkruimte. Pak aan, Remco. Voorzichtig met die kast. Die is groot - met z'n tweeën."
De ene leerling is breed en pakt een stapel alleen (onder gejoel), andere leerlingen zijn smaller en doen het vanzelf met z'n tweeën. Ik kijk en drink cappuccino. De chauffeur krijgt er ook lol in en voert het tempo op, maar de jongens houden hem gemakkelijk bij en in tien minuten is de vracht gelost.
Voldaan kijken we naar de lege laadruimte en de lege stoep. Alles staat waar het moet komen - nu nog uitpakken en in elkaar zetten. Dat doen we morgen, nu is er les.
Waarover? Over werk! Waarom werken wij? Zonder aarzelen komt het antwoord, unaniem: voor het geld! Ja, natuurlijk. Als ze je niet betalen, kom je niet. Maar werk geeft toch nog meer dan alleen verdienste?
Oh ja? Ja! Glazige blikken.
Waar moet ik aan denken7 Aan een film met Paul Newman. Speelt in een Amerikaanse buitengevangenis in de jaren '50. Forced labour. Geketende gevangenen die 's morgens in een rij het veld in trekken, onder begeleiding van bewakers te paard, om met de hand een weg aan te leggen. Met schoppen en steenslag ('working on the chain'). Paul Newman is de nieuwe man in de gevangenis en hij ‘krijgt de geest’: terwijl ze altijd zo langzaam mogelijk werken (net niet stilstaan en omvallen), kijkt hij over de dampende velden, naar het gereedliggende steenslag, de opkomende zon - en hij spuwt in zijn handen en pakt zijn schop beet en gaat aan het werk. Tempo! Energie!
De anderen lachen eerst maar het werkt aanstekelijk en dan krijgt iedereen de geest: we zullen ze eens wat laten zien. Als een bezetene gaat de hele ploeg te keer en halverwege de dag worden de gevangenen teruggeleid naar het kamp: het werk van de hele dag is in een paar uur geklaard, meer ligt er niet klaar.
De mannen grijnzen voldaan naar elkaar, Paul Newman mompelt: They never seen a man work.
In het kader van het oude beroepsonderwijs haal ik hier herinneringen op aan de RK MTS, jaren 90.
zaterdag 19 maart 2011
15: Met mes en vork
Ik probeer een nieuwe lesmethode uit en dat is best leuk. De nieuwe eindtermen introduceren ook softe onderwerpen bij maatschappijleer op de MTS, en in tegenstelling tot wat ik (slachtoffer van stereotypes) verwachtte, slaat het best aan bij mijn techneuten.
We hebben het over 'nature' en 'nurture', dus over wat je gedrag bepaalt: je genen ('nature') of je opvoeding ('nurture').Van tijd tot tijd is dat flink lachen, want het boek geeft aardige voorbeelden. Zo staan er foto's in van typerende houdingen. Een houding die dominantie uitstraalt wordt bij mannen als normaal ervaren maar is bij vrouwen aanstootgevend. Hilarische grappen vliegen door de klas, ik zal ze niet herhalen want ze zijn niet allemaal even netjes. Nou, vooruit, eentje dan. In het boek staat, bij een foto van een meisje in een uitdagende houding:
"Wat zou je doen als je vriendin bij jouw thuis op bezoek was en zo ging zitten?"
Reactie uit de klas: "Vragen of ons pa en ma even de kamer uit gaan."
Dan, over sociale controle en dat het bij vandalisme verschil maakt in welk gezelschap je verkeert: als je met vrienden op stap bent sloop je misschien eerder een bushokje dan wanneer je met je vader ergens heengaat. “Ik hoor het wel, hij kent onze pa nie.”
Maar de beste grap ontstaat vanzelf, per ongeluk. Ik laat ze vijf vragen maken over gewoontes en manieren. Van wie hebben ze geleerd om zus en zo en dit en dat. Allerlei dingen die de meesten van ons wel kunnen en ook wel doen. En na tien minuten laat ik de antwoorden voorlezen. Ik begin tamelijk willekeurig linksachter en werk die rij leerlingen naar voren toe af. Eerst vraag a, dan b, dan c, dan d. Enfin, u begrijpt 't wel.
"Vraag e." Ik wijs de volgende leerling aan en lees de vraag hardop voor. "Van wie heb je geleerd met mes en vork te eten?"
"Ja, dat moet u mij niet vragen", glimlacht Chung-Ho breed. "Wij eten thuis met stokjes."
Het is even stil. Dan davert het lokaal van de lach. De zoemer gaat verloren in het lawaai.
November 1997.
We hebben het over 'nature' en 'nurture', dus over wat je gedrag bepaalt: je genen ('nature') of je opvoeding ('nurture').Van tijd tot tijd is dat flink lachen, want het boek geeft aardige voorbeelden. Zo staan er foto's in van typerende houdingen. Een houding die dominantie uitstraalt wordt bij mannen als normaal ervaren maar is bij vrouwen aanstootgevend. Hilarische grappen vliegen door de klas, ik zal ze niet herhalen want ze zijn niet allemaal even netjes. Nou, vooruit, eentje dan. In het boek staat, bij een foto van een meisje in een uitdagende houding:
"Wat zou je doen als je vriendin bij jouw thuis op bezoek was en zo ging zitten?"
Reactie uit de klas: "Vragen of ons pa en ma even de kamer uit gaan."
Dan, over sociale controle en dat het bij vandalisme verschil maakt in welk gezelschap je verkeert: als je met vrienden op stap bent sloop je misschien eerder een bushokje dan wanneer je met je vader ergens heengaat. “Ik hoor het wel, hij kent onze pa nie.”
Maar de beste grap ontstaat vanzelf, per ongeluk. Ik laat ze vijf vragen maken over gewoontes en manieren. Van wie hebben ze geleerd om zus en zo en dit en dat. Allerlei dingen die de meesten van ons wel kunnen en ook wel doen. En na tien minuten laat ik de antwoorden voorlezen. Ik begin tamelijk willekeurig linksachter en werk die rij leerlingen naar voren toe af. Eerst vraag a, dan b, dan c, dan d. Enfin, u begrijpt 't wel.
"Vraag e." Ik wijs de volgende leerling aan en lees de vraag hardop voor. "Van wie heb je geleerd met mes en vork te eten?"
"Ja, dat moet u mij niet vragen", glimlacht Chung-Ho breed. "Wij eten thuis met stokjes."
Het is even stil. Dan davert het lokaal van de lach. De zoemer gaat verloren in het lawaai.
November 1997.
zaterdag 12 maart 2011
14: Klootzak! / Meneer!
Vorige week hebben wij en petit comite op ons ROC op Stappegoor het Suikerfeest gevierd, uiterst onofficieel en de directie wist er niks van en het was gewoon in het praktijklokaal elektrotechniek, met een hele klas BOL2-leerlingen. In die klas zitten namelijk vier Marokkaanse jongens en het is een leuke klas – ik kan er tenminste goed mee overweg. Dus die vier moslims hadden een tijd zitten smiespelen en kwamen toen langs om mij uit te nodigen in de praktijkles: Meneer, kunt u woensdag om 12.00 uur in lokaal 060 komen?
Ja, dat kon ik wel en ik had niet echt tijd om door te vragen dus ik dacht ik zie wel.
Ik was er en de vakleerdocent elektrotechniek en de praktijkdocent en we hadden pas iets in de gaten toen de jongens literflessen cola en seven-up tevoorschijn haalden, en een doos met een flinke taart, en iedereen uitnodigden aan de enorme werktafel. Leuk was dat: in dat grote, kale praktijklokaal vol werkplekken en schakelkasten en half voltooide werkstukken, zaten we te smikkelen van suikerzoete taart en lauwe frisdrank. En ondertussen ging het gesprek over hun gedrag op school. Wat kon wel en wat kon niet en waren zij het daarmee eens?
Eén van hen had gisteren een leraar uitgescholden (‘klootzak’), en was daarom de les uitgestuurd. Had zich bij mij gemeld en nu moest hij van mij een middag terugkomen: voor straf. En hij had zijn excuses moeten maken.
Was dat nou nodig? Vroeg de groep.
Ja. Antwoordde ik.
Waarom dan? Vroeg de groep.
En we praatten wat over het verschil tussen wat je mag denken en wat je mag zeggen.
Kijk. Zei ik. Dat Ahmed op een gegeven ogenblik bij zichzelf denkt klootzak, dat is niet anders. Dat kan terecht zijn, of niet, maar dat doet er niet zoveel toe. Hij mag het alleen niet zeggen. Wat je zegt, daar gelden normen voor. Dan moet je je aan regels houden. Het is net als discriminatie. Mensen mogen van andere mensen denken wat ze willen, als ze zich maar netjes gedragen en geen verkeerde dingen zeggen. Woorden zijn daden.
Dus. Zei Ahmed. Ik mag wel denken klootzak, zolang ik maar meneer zeg.
Ahmed, je hebt het begrepen. Zei ik
Jazeker, meneer Sanberg. Zei Ahmed.
Én gelachen dat we hebben.
(februari 1999)
Ja, dat kon ik wel en ik had niet echt tijd om door te vragen dus ik dacht ik zie wel.
Ik was er en de vakleerdocent elektrotechniek en de praktijkdocent en we hadden pas iets in de gaten toen de jongens literflessen cola en seven-up tevoorschijn haalden, en een doos met een flinke taart, en iedereen uitnodigden aan de enorme werktafel. Leuk was dat: in dat grote, kale praktijklokaal vol werkplekken en schakelkasten en half voltooide werkstukken, zaten we te smikkelen van suikerzoete taart en lauwe frisdrank. En ondertussen ging het gesprek over hun gedrag op school. Wat kon wel en wat kon niet en waren zij het daarmee eens?
Eén van hen had gisteren een leraar uitgescholden (‘klootzak’), en was daarom de les uitgestuurd. Had zich bij mij gemeld en nu moest hij van mij een middag terugkomen: voor straf. En hij had zijn excuses moeten maken.
Was dat nou nodig? Vroeg de groep.
Ja. Antwoordde ik.
Waarom dan? Vroeg de groep.
En we praatten wat over het verschil tussen wat je mag denken en wat je mag zeggen.
Kijk. Zei ik. Dat Ahmed op een gegeven ogenblik bij zichzelf denkt klootzak, dat is niet anders. Dat kan terecht zijn, of niet, maar dat doet er niet zoveel toe. Hij mag het alleen niet zeggen. Wat je zegt, daar gelden normen voor. Dan moet je je aan regels houden. Het is net als discriminatie. Mensen mogen van andere mensen denken wat ze willen, als ze zich maar netjes gedragen en geen verkeerde dingen zeggen. Woorden zijn daden.
Dus. Zei Ahmed. Ik mag wel denken klootzak, zolang ik maar meneer zeg.
Ahmed, je hebt het begrepen. Zei ik
Jazeker, meneer Sanberg. Zei Ahmed.
Én gelachen dat we hebben.
(februari 1999)
zaterdag 5 maart 2011
13. Wil de echte Turk opstaan?
Ik zit achter in de klas stiekem te duimen: laat dit niet ophouden. En gelukkig, het houdt niet op! De klas is in gesprek met zichzelf, over buitenlanders, over seks en over de Islam. Dat gesprek gaat goed en dat is een klein wonder, want deze klas functioneert niet goed. Van tijd tot tijd is er ruzie en dat concentreert zich rondom drie Turkse jongens. Die klitten samen en één van hen is nogal dominant. Dat irriteert. Hij is te serieus bezig, vindt de klas, en hij trapt ook overal in. Dat is dan wel weeer leuk en maakt hem tot een dankbaar object van spot. Lachen!
En nu? Nu houden ze een spreekbeurt. De Turkse jongens hebben het over "Het verschil in houding t.o.v. seks tussen buitenlandse en Nederlandse jongeren."
Het is, vind ik, ontroerend. Ze zijn in Nederland geboren, ze spreken goed Nederlands en nauwelijks Turks, in de achttien jaar van hun leven zijn ze een paar keer op vakantie geweest in Turkije. En als ze 'bij ons' zeggen, edoelen ze: in Turkije.
Hoe gaat het dan, die seks 'bij ons'?
Het beeld dat ze schetsen, is hoe zij vinden dat het zou moeten zijn, in Turkije, onder echte moslims. Het heeft niet zoveel te maken met hoe het er werkelijk aan toe gaat, daar. De Nederlandse jongens voelen dat wel aan en stellen slimme vragen zonder lullig te worden. De Turkse jongens gaan steeds verder in hun idealisering. Iedereen die daar niet aan beantwoordt (de rijke mensen in Turkije, de bedorven mensen in Turkije, de westerse mensen in Turkije, de moderne mensen in Turkije, ja, de mensen in Turkije die in contact komen met de westerse toeristen, enz enz) is eigenlijk geen echte Turk. En in elk geval geen echte moslim.
Stilaan begint het er op te lijken dat een echte Turk 'het' helemaal niet doet, dat seksgedoe, dat dat iets typisch westers is, maar het gesprek gaat verrassend lang door: serieus, onderbroken door grappen die het gesprek een lichtere toets geven maar niet afbreken.
De verlossende ontknoping is tenslotte, dat de Turkse jongens zelf ook niet aan hun ideaalbeeld blijken te beantwoorden. Ze zijn wel eens gezien in de disco, ze zijn wel eens gezien met een glas bier in hun hand, ze zijn wel eens gezien met een meisje ... en één van de Nederlandse jongens zegt: "Ach, jullie zijn zelf ook geen echte Turken, en volgens mij is dat maar goed ook want zo is er toch geen lol aan."
Waarop de hele klas een lachbui krijgt en goedgemutst het lokaal verlaat. Ik wou dat al mijn lessen zo liepen.
In het kader van Het Oude Beroepsonderwijs: herinneringen aan lessen maatschappijleer op de RK MTS in Tilburg, jaren 90.
Deze dateert van oktober 1997
En nu? Nu houden ze een spreekbeurt. De Turkse jongens hebben het over "Het verschil in houding t.o.v. seks tussen buitenlandse en Nederlandse jongeren."
Het is, vind ik, ontroerend. Ze zijn in Nederland geboren, ze spreken goed Nederlands en nauwelijks Turks, in de achttien jaar van hun leven zijn ze een paar keer op vakantie geweest in Turkije. En als ze 'bij ons' zeggen, edoelen ze: in Turkije.
Hoe gaat het dan, die seks 'bij ons'?
Het beeld dat ze schetsen, is hoe zij vinden dat het zou moeten zijn, in Turkije, onder echte moslims. Het heeft niet zoveel te maken met hoe het er werkelijk aan toe gaat, daar. De Nederlandse jongens voelen dat wel aan en stellen slimme vragen zonder lullig te worden. De Turkse jongens gaan steeds verder in hun idealisering. Iedereen die daar niet aan beantwoordt (de rijke mensen in Turkije, de bedorven mensen in Turkije, de westerse mensen in Turkije, de moderne mensen in Turkije, ja, de mensen in Turkije die in contact komen met de westerse toeristen, enz enz) is eigenlijk geen echte Turk. En in elk geval geen echte moslim.
Stilaan begint het er op te lijken dat een echte Turk 'het' helemaal niet doet, dat seksgedoe, dat dat iets typisch westers is, maar het gesprek gaat verrassend lang door: serieus, onderbroken door grappen die het gesprek een lichtere toets geven maar niet afbreken.
De verlossende ontknoping is tenslotte, dat de Turkse jongens zelf ook niet aan hun ideaalbeeld blijken te beantwoorden. Ze zijn wel eens gezien in de disco, ze zijn wel eens gezien met een glas bier in hun hand, ze zijn wel eens gezien met een meisje ... en één van de Nederlandse jongens zegt: "Ach, jullie zijn zelf ook geen echte Turken, en volgens mij is dat maar goed ook want zo is er toch geen lol aan."
Waarop de hele klas een lachbui krijgt en goedgemutst het lokaal verlaat. Ik wou dat al mijn lessen zo liepen.
In het kader van Het Oude Beroepsonderwijs: herinneringen aan lessen maatschappijleer op de RK MTS in Tilburg, jaren 90.
Deze dateert van oktober 1997
Abonneren op:
Posts (Atom)