Door roosterperikelen die ik niet helemaal begrijp is mijn les aan E2a verplaatst naar het gebouw van de AG-opleiding, schuin tegenover onze MTS. Als ik daar binnenloop op zoek naar mijn klas, kan ik het lokaal niet vinden. Ik dwaal wat rond en als ik in de buurt kom is het ineens heel gemakkelijk: ik ga op het lawaai af. Als ik het lokaal binnenloop vliegt er een borstel mijn kant op. Op het allerlaatste moment vang ik die nonchalant op, met één hand nog wel. Heel even ben ik daar erg tevreden over, maar dan blijkt dat de borstel verzadigd is met krijtstof dat zich nu als een grijze wolk over mijn jas verspreidt. Mijn hand zit ook vol. Shit.
De klas geniet. Ik leg de borstel weg en blaas het stof van mijn hand, precies in het gezicht van de jongen op de eerste rij. Die begint te hoesten. Juist.
Langzaam komt de klas tot bedaren en ik wil met de les beginnen als Stef van de Loo ineens door de klas roept dat het benauwd is en dat er een raam open moet: "Hé, Eric, moet ur gin raom ope?"
Gealarmeerd kijkt Eric naar het raam. Het is een schuifraam en het zit potdicht, de mouw van zijn jas steekt nog net het lokaal in. Dus als het raam opengaat, valt zijn jas naar beneden (we zitten op de eerste verdieping).
Na enig geworstel (ze laten hem niet meteen door op zijn weg naar het raam) weet Eric de mouw te pakken te krijgen. Na nog enig geworstel gaat het raam open en heeft ie z'n hele jas. Na weer enig geduw en getrek zit ie weer op z'n plaats.
Ik begin met de les.
Na anderhalve zin roept Eric ineens: "M'n databank, nondeju, m'n databank, die zat in m'n jaszak."
Stef kijkt uit het raam: "Ja, dat klopt, ik zie 'm liggen."
Ik ben het nu meer dan zat, maar Stef is zo snel dat ik erdoor verrast word. Hij staat op, schuift het raam open, leunt naar buiten en rekt zich uit. Zijn bovenlichaam verdwijnt uit het gezicht. Dat vindt iedereen meer dan prachtig. Enkele maten snellen behulpzaam toe om hem verder het raam uit te duwen. Stef trapt wild om zich heen. Ik snel er heen om de maten weg te trekken en krijg een trap mee van Stef, die ook niet ziet wat hij doet (hoop ik).
De klas joelt: "Ha, hij heeft natuurlijk niet in de gaten dat er een afdak is."
Inderdaad, de databank ligt op het afdak, een halve meter onder het raam. Stef kan er net bij en komt triomfantelijk weer naar binnen.
Ik begin nog maar eens met de les.
Twee uur later kom ik op de gang een collega tegen die bezorgd informeert: "He, wat hoor ik nou, hebben ze jou buiten het raam gehouden?"
E2a had op zitten scheppen, bij hem in de les. Hij had veel huiswerk opgegeven en toen had iemand gezegd: "Zullen we hem ook eens buiten het raam houden?"
P.S.
Een gebouw voor Assistenten in de Gezondheidszorg (allemaal meisjes) moet aan heel andere eisen voldoen dan een gebouw voor Aankomende Technici. Sinds wij daar te gast zijn met onze klassen vol techneuten zie je de zwakke plekken. Het is goed dat het maar voor korte tijd is, anders zou je dat gebouw aan de straatstenen niet meer kwijt raken.
Ik had het er met het Hoofd Opleidingen AG over. Hij had een mooi eufemisme: “Ja, die van jullie gaan anders met het gebouw om, he?”
”Dat kun je wel zeggen", antwoordde ik, “Ze slopen het waar je bij staat.
zaterdag 26 februari 2011
zaterdag 19 februari 2011
11. Henk van der Stoel
Elke jaar maak ik de nieuwe opleidingsfolders, dus elk jaar corrigeer ik 102 drukproeven – maar dit jaar met tranen in mijn ogen. Niet dat er zulke ontroerende teksten in stonden (…zijn zeer gewilde krachten in het bedrijfsleven…) of dat ze dramatisch veel slechter waren dan andere jaren (…Open Dag: 25 januari 2002…), maar ik zat in de trein naar Middelburg, voor de begrafenis van Henk van der Stoel.
Henk is jarenlang een strijdmakker geweest en in een aantal methoden maatschappijleer staan onze namen (als auteurs) vlak onder elkaar. Waar streden we voor? Of tegen? Ja, daar vraagt u me wat. Voor beter onderwijs, misschien wel. Of, in elk geval, voor ons vak. Voor betere lessen maatschappijleer! Ja: daar zou Henk het mee eens geweest zijn! (“Nee Gerard, onthoud dat nou eens. Het heet geen maatschappijleer maar maatschappelijke en culturele vorming.”) – Juist. Misschien was Henk het ermee eens, maar hij was het nooit helemaal eens met wat iemand anders zei: dan gaf hij er gauw een eigen draai aan.
Dat van die vorming, dat was principieel. Dat er iets met de leerlingen gebeurde, zodat zij als volgroeide persoonlijkheden de school verlieten, dat vond hij belangrijker dan dat ze feiten leerden. En iets van die overtuiging is terug te vinden in de eindtermen Maatschappelijke en Culturele Vorming voor de techniek, want tijdenlang was ons strijdperk de landelijke Adviesgroep MCV, die voor die eindtermen heeft gezorgd.
Lange en taaie onderhandelingen waren dat, en daarbij kwamen de verschillen tussen Henk en mij soms goed van pas. Henk was een onverzettelijke, principiële Zeeuw, een echte, uit de klei getrokken protestant. A la Maarten Luther: ‘Hier sta ik, ik kan niet anders’. Terwijl ik, als Brabantse zandgrond-katholiek, veel soepeler in de leer was. De leer – hoe bedoelt u?
Daar hebben we veel om gelachen en we gebruikten het ook wel. Ik sugereerde Henk dan vóór de vergadering dat het de goede zaak zou dienen als hij over een bepaald punt eens flink van leer zou trekken. Als hij het daarmee eens was, dan deed hij dat. En gelooft u mij: als Henk van der Stoel van leer trok, dan werd de zaal stil en luisterde. Nondeju! Dat kon hij - maar hij deed het alleen als hij erachter stond.
Zijn voorstellen voor eindtermen liepen via mij, als secretaris, en ik schrapte zaken waarvan ik wist dat ze het niet zouden halen – ook al was ik het er inhoudelijk wel mee eens. Henk wist dat.
“Ach ja”, zei hij dan grijnzend, “Ik snap ook wel dat dat niet kan, maar ik vind dat nou eenmaal. En trouwens, ik dacht, dat haalt Gerard er wel weer uit.”
Een paar weken geleden zat ik bij een zogenaamde veldraadpleging over nieuwe, competentiegerichte eindtermen voor MCV. De discussie kabbelde voort en halverwege dacht ik zoiets als ‘nu zou een uitbarsting van Henk goed van pas komen’. Want de plannen waren (zijn?) om ‘persoonlijke vorming’ weg te laten – en dat zou Henk niet bevallen zijn. Ik wist op dat moment niet dat hij op sterven lag, maar heb, achteraf bezien, voor hem het strijdperk betreden met een vurig pleidooi voor persoonlijke vorming.
Maar Henk is dood en op 3 oktober 2001 hebben we hem in Middelburg begraven, en in de trein heen en in de trein terug had ik gezelschap van de drukproeven van onze opleidingsfolders. En van tijd tot tijd las ik daarin goedkeurend het zinnetje: ‘Ook maatschappelijke en culturele vorming maakt deel uit van de opleiding’.
Juist. Vorming. Dat zou Henk deugd gedaan hebben.
Henk is jarenlang een strijdmakker geweest en in een aantal methoden maatschappijleer staan onze namen (als auteurs) vlak onder elkaar. Waar streden we voor? Of tegen? Ja, daar vraagt u me wat. Voor beter onderwijs, misschien wel. Of, in elk geval, voor ons vak. Voor betere lessen maatschappijleer! Ja: daar zou Henk het mee eens geweest zijn! (“Nee Gerard, onthoud dat nou eens. Het heet geen maatschappijleer maar maatschappelijke en culturele vorming.”) – Juist. Misschien was Henk het ermee eens, maar hij was het nooit helemaal eens met wat iemand anders zei: dan gaf hij er gauw een eigen draai aan.
Dat van die vorming, dat was principieel. Dat er iets met de leerlingen gebeurde, zodat zij als volgroeide persoonlijkheden de school verlieten, dat vond hij belangrijker dan dat ze feiten leerden. En iets van die overtuiging is terug te vinden in de eindtermen Maatschappelijke en Culturele Vorming voor de techniek, want tijdenlang was ons strijdperk de landelijke Adviesgroep MCV, die voor die eindtermen heeft gezorgd.
Lange en taaie onderhandelingen waren dat, en daarbij kwamen de verschillen tussen Henk en mij soms goed van pas. Henk was een onverzettelijke, principiële Zeeuw, een echte, uit de klei getrokken protestant. A la Maarten Luther: ‘Hier sta ik, ik kan niet anders’. Terwijl ik, als Brabantse zandgrond-katholiek, veel soepeler in de leer was. De leer – hoe bedoelt u?
Daar hebben we veel om gelachen en we gebruikten het ook wel. Ik sugereerde Henk dan vóór de vergadering dat het de goede zaak zou dienen als hij over een bepaald punt eens flink van leer zou trekken. Als hij het daarmee eens was, dan deed hij dat. En gelooft u mij: als Henk van der Stoel van leer trok, dan werd de zaal stil en luisterde. Nondeju! Dat kon hij - maar hij deed het alleen als hij erachter stond.
Zijn voorstellen voor eindtermen liepen via mij, als secretaris, en ik schrapte zaken waarvan ik wist dat ze het niet zouden halen – ook al was ik het er inhoudelijk wel mee eens. Henk wist dat.
“Ach ja”, zei hij dan grijnzend, “Ik snap ook wel dat dat niet kan, maar ik vind dat nou eenmaal. En trouwens, ik dacht, dat haalt Gerard er wel weer uit.”
Een paar weken geleden zat ik bij een zogenaamde veldraadpleging over nieuwe, competentiegerichte eindtermen voor MCV. De discussie kabbelde voort en halverwege dacht ik zoiets als ‘nu zou een uitbarsting van Henk goed van pas komen’. Want de plannen waren (zijn?) om ‘persoonlijke vorming’ weg te laten – en dat zou Henk niet bevallen zijn. Ik wist op dat moment niet dat hij op sterven lag, maar heb, achteraf bezien, voor hem het strijdperk betreden met een vurig pleidooi voor persoonlijke vorming.
Maar Henk is dood en op 3 oktober 2001 hebben we hem in Middelburg begraven, en in de trein heen en in de trein terug had ik gezelschap van de drukproeven van onze opleidingsfolders. En van tijd tot tijd las ik daarin goedkeurend het zinnetje: ‘Ook maatschappelijke en culturele vorming maakt deel uit van de opleiding’.
Juist. Vorming. Dat zou Henk deugd gedaan hebben.
zaterdag 12 februari 2011
10. Gezeur over politiek (1996)
Misschien denkt u door deze stukjes dat mijn dagelijks leven voor de klas één en al pret is: lachen, gieren, brullen en knipogen. Dat zei een collega tegen me: “Volgens mij gaat het bij jou vanzelf, voor de klas.”
Dat is niet zo, in sommige klassen is het echt ploeteren. Zo heb ik al een tijdje ruzie met een bouwklas. Daar zitten een paar schreeuwers in die op een gegeven ogenblik stemming gemaakt hebben tegen mij en mijn vak – en nu is er geen land meer mee te bezeilen. Ze zijn het erover eens dat ze mij niet moeten, en mijn vak ook niet, en dat ik maar beter op mijn tellen kan passen.
Ik pas dus op mijn tellen, dat wil zeggen, ik houd ze goed in de gaten want als ik verslap komt er stront. Door die houding verstrakt de sfeer nog meer, zodat ik het de jongens eigenlijk niet meer kwalijk kan nemen dat ze er geen zin meer in hebben. Ik heb er ook geen zin meer in.
Is dat erg, zo’n klas?
Nou, erg. Het is vervelend, voor hen en voor mij. Als al mijn lessen zo gingen, stopte ik met lesgeven voor het lesgeven met mij stopte. Dat is dus gelukkig niet zo, maar er zit elk jaar wel een klas tussen met wie het niet lukt. Zo bijzonder is het dus niet, maar wat me in dit geval trof, was de strekking van het verwijt dat ze me maakten.
Als je maatschappijleer geeft aan een technische school heb je van tijd tot tijd een dikke huid nodig. Toen ik ermee begon, in 1981, was er voor maatschappijleer een algemeen programma. U kent dat wel: politiek, criminaliteit, oorlog en vrede (de jongens vonden vooral de techniek achter de kruisraketten interessant), discriminatie, etc. Af en toe kwam er uit de klassen protest: Dit is toch een technische school? Wat moet ik dan met dat gezeur over politiek?
De eindtermen die vervolgens werden vastgesteld leken wel een reactie op die opmerkingen. Ze schiepen de mogelijkheid om meer techniek in de lesstof te stoppen via het onderwerp 'Technologie en samenleving'. Ik heb die mogelijkheid dankbaar aangegrepen en dat onderwerp prominent op het programma gezet.
Wat was nu het verwijt dat die bouwklas mij maakte (en waarmee de ruzie begon)?
Zeg, dit is toch maatschappijleer? Waarom krijgen we dan niks over politiek? Straks moeten we stemmen en dan weten we niet eens op welke partij.
Tja, wat is wijsheid? Ik was ad rem genoeg om te antwoorden dat, als ik ook nog politiek moest behandelen, ik een lesuur méér wilde, op het rooster. That shut them up, zo te zeggen, maar een fatsoenlijk antwoord is het natuurlijk niet.
Meer gezeur over politiek dan maar?
Dat is niet zo, in sommige klassen is het echt ploeteren. Zo heb ik al een tijdje ruzie met een bouwklas. Daar zitten een paar schreeuwers in die op een gegeven ogenblik stemming gemaakt hebben tegen mij en mijn vak – en nu is er geen land meer mee te bezeilen. Ze zijn het erover eens dat ze mij niet moeten, en mijn vak ook niet, en dat ik maar beter op mijn tellen kan passen.
Ik pas dus op mijn tellen, dat wil zeggen, ik houd ze goed in de gaten want als ik verslap komt er stront. Door die houding verstrakt de sfeer nog meer, zodat ik het de jongens eigenlijk niet meer kwalijk kan nemen dat ze er geen zin meer in hebben. Ik heb er ook geen zin meer in.
Is dat erg, zo’n klas?
Nou, erg. Het is vervelend, voor hen en voor mij. Als al mijn lessen zo gingen, stopte ik met lesgeven voor het lesgeven met mij stopte. Dat is dus gelukkig niet zo, maar er zit elk jaar wel een klas tussen met wie het niet lukt. Zo bijzonder is het dus niet, maar wat me in dit geval trof, was de strekking van het verwijt dat ze me maakten.
Als je maatschappijleer geeft aan een technische school heb je van tijd tot tijd een dikke huid nodig. Toen ik ermee begon, in 1981, was er voor maatschappijleer een algemeen programma. U kent dat wel: politiek, criminaliteit, oorlog en vrede (de jongens vonden vooral de techniek achter de kruisraketten interessant), discriminatie, etc. Af en toe kwam er uit de klassen protest: Dit is toch een technische school? Wat moet ik dan met dat gezeur over politiek?
De eindtermen die vervolgens werden vastgesteld leken wel een reactie op die opmerkingen. Ze schiepen de mogelijkheid om meer techniek in de lesstof te stoppen via het onderwerp 'Technologie en samenleving'. Ik heb die mogelijkheid dankbaar aangegrepen en dat onderwerp prominent op het programma gezet.
Wat was nu het verwijt dat die bouwklas mij maakte (en waarmee de ruzie begon)?
Zeg, dit is toch maatschappijleer? Waarom krijgen we dan niks over politiek? Straks moeten we stemmen en dan weten we niet eens op welke partij.
Tja, wat is wijsheid? Ik was ad rem genoeg om te antwoorden dat, als ik ook nog politiek moest behandelen, ik een lesuur méér wilde, op het rooster. That shut them up, zo te zeggen, maar een fatsoenlijk antwoord is het natuurlijk niet.
Meer gezeur over politiek dan maar?
zaterdag 5 februari 2011
9. Hullie
Hullie (1993)
Neem studenten hun illusies niet af! Ook niet door de zuivere waarheid en niets dan de waarheid. Een voor veel leerlingen moeilijk verteerbare waarheid is de uitspraak: “Het gebruik van alle soorten drugs is in Nederland bij wet verboden.”
Deze zin in ons schoolreglement dient als inleiding bij een verbod op het gebruik van en de handel in drugs op school, en leidt onveranderlijk tot felle discussies. Klassen vol zijn er heilig van overtuigd dat het roken van hasj en nederwiet en whatever in Nederland bij wet is toegestaan. (Het zou me niks verbazen als een flink aantal collega’s dezelfde mening is toegedaan. In elk geval denkt de hele wereld buiten Nederland dat dat zo is.)
Maar het is niet zo. Het gebruik van hasj etc is bij wet verboden, evenals de handel, hoe klein de hoeveelheid ook is.
Deze mededelingen zorgen voor ontsteltenis. Maar meneer, hoe kan dan dit en hoe kan dan dat? En dan gaat het gesprek verder over een typisch Nederlandse modaliteit als ‘gedogen’.
Het vermakelijkst zijn deze discussies als er enkele leerlingen zijn die op de vorige school tijdens de lessen maatschappijleer goed hebben opgelet en weten hoe het zit. Die houden dan vol dat het inderdaad verboden is. Zij worden door de overgrote meerderheid van de klas bespot en weggehoond.
Enkelen uit die meerderheid, tot wanhoop gedreven door dat koppige, schijnbaar zinloze vasthouden van een belachelijke positie van de minderheid, roepen dan mijn hulp in:
“Meneer, zegt u nou eens hoe het zit.”
Met een malicieuze grijns geef ik de minderheid gelijk.
Bouzid (als ik op verzoek van de klas het concept ‘gedogen’ heb uitgelegd en hij dus moet aannemen dat softdrugs wel degelijk verboden zijn, in het tolerante Nederland - wat enkele van zijn maten in de klas dus ook al beweerden):
“Dus hun hebben gelijk?”
“Ja Bouzid”, zeg ik, leraar tot de dood er op volgt: “Zij. Zij hebben gelijk.”
“Ja”, antwoordt hij, zichtbaar geïrriteerd door dat feit dat zij gelijk hebben en mijn grammaticale terechtwijzing daarbovenop: “Hullie.”
Neem studenten hun illusies niet af! Ook niet door de zuivere waarheid en niets dan de waarheid. Een voor veel leerlingen moeilijk verteerbare waarheid is de uitspraak: “Het gebruik van alle soorten drugs is in Nederland bij wet verboden.”
Deze zin in ons schoolreglement dient als inleiding bij een verbod op het gebruik van en de handel in drugs op school, en leidt onveranderlijk tot felle discussies. Klassen vol zijn er heilig van overtuigd dat het roken van hasj en nederwiet en whatever in Nederland bij wet is toegestaan. (Het zou me niks verbazen als een flink aantal collega’s dezelfde mening is toegedaan. In elk geval denkt de hele wereld buiten Nederland dat dat zo is.)
Maar het is niet zo. Het gebruik van hasj etc is bij wet verboden, evenals de handel, hoe klein de hoeveelheid ook is.
Deze mededelingen zorgen voor ontsteltenis. Maar meneer, hoe kan dan dit en hoe kan dan dat? En dan gaat het gesprek verder over een typisch Nederlandse modaliteit als ‘gedogen’.
Het vermakelijkst zijn deze discussies als er enkele leerlingen zijn die op de vorige school tijdens de lessen maatschappijleer goed hebben opgelet en weten hoe het zit. Die houden dan vol dat het inderdaad verboden is. Zij worden door de overgrote meerderheid van de klas bespot en weggehoond.
Enkelen uit die meerderheid, tot wanhoop gedreven door dat koppige, schijnbaar zinloze vasthouden van een belachelijke positie van de minderheid, roepen dan mijn hulp in:
“Meneer, zegt u nou eens hoe het zit.”
Met een malicieuze grijns geef ik de minderheid gelijk.
Bouzid (als ik op verzoek van de klas het concept ‘gedogen’ heb uitgelegd en hij dus moet aannemen dat softdrugs wel degelijk verboden zijn, in het tolerante Nederland - wat enkele van zijn maten in de klas dus ook al beweerden):
“Dus hun hebben gelijk?”
“Ja Bouzid”, zeg ik, leraar tot de dood er op volgt: “Zij. Zij hebben gelijk.”
“Ja”, antwoordt hij, zichtbaar geïrriteerd door dat feit dat zij gelijk hebben en mijn grammaticale terechtwijzing daarbovenop: “Hullie.”
zaterdag 29 januari 2011
8. Punten janken.
Een proefwerkweek is leuk als afwisseling: af en toe surveilleren en tussendoor veel vrije uren om rond te lummelen. En dan komt de lading proefwerken en moet je aan het werk.
De eerste les na de proefwerkweek bespreek ik de opgaven in de klas. En och arme leerlingen. Want hoe gaat dat? Ze maken de opgaven in de hogedrukpan van de proefwerkweek. Ze doen er hun best op (best wel) maar ze voelen natuurlijk wel dat ze geen tien gescoord hebben. Twijfel knaagt: zou ’t wel voldoende zijn?
Vervolgens gaan ze zichzelf moed inspreken. ‘Het is vast wel een voldoende, want die eerste vraag die heb ik goed, dat weet ik zeker. De tweede niet, maar die zal wel niet zo zwaar tellen. En de derde, nou, misschien krijg ik toch wel wat punten voor dat antwoord, het was wel niet helemaal goed maar die vraag was ook niet zo duidelijk en in mijn aantekeningen stond...’
In de loop van de week verschuift het beeld van hun prestaties in de richting van: tamelijk rooskleurig. Daar gaat dan nog een weekeinde overheen waarin ze hun ouders overtuigen dat ze toch echt wel iets extra’s verdiend hebben, na zo’n proefwerkweek die ze best wel goed gemaakt hebben... en dan krijgen ze de punten terug.
De naakte waarheid staart hen in het gezicht waar de hele klas bij is. Dat is te veel, die klap is te hard. Daartegen nemen ze hun ego in bescherming. Schelden dus. Omdat ze mij niet rechtuit uit durven schelden (dat moet ik vooral zo houden), gaan ze tekeer tegen de zaak in het algemeen:
“Wè is dè na vur onzin?”
“Wenne flauwekul!”
“Wèn gesèk zeg.”
“Un nááivak, dè ist.”
Als de ergste stoom eraf is komen ze naar me toe. Nog steeds zo geëmotioneerd dat ze Tilburgs praten: “Eh, meneer, hier hè, waorum is dè nie goed?”
Ik ga daar dan niet meteen op in. Laat ze maar stoom afblazen. Ik blijf vriendelijk kijken en zeg dat ik het vraag voor vraag zal behandelen als ze allemaal weer op hun plaats zitten. En jawel, terug in de banken vergelijken ze hun enormiteiten met de antwoorden elders in de klas. En als ze dan zien dat anderen wel goede antwoorden en goede punten hebben voor dat seikproefwerk van dat naaivak, dan is de strijd wel gestreden.
Vervelend zijn alleen die leerlingen die om tienden van punten blijven zeuren, die van een viereneenhalf een vierkommazes willen maken door te dreigen en te jammeren. B2b zet die klanten op hun nummer:
“Hé, Van Bavel, moette oe punten wir bij elkaar jànken?”, klinkt het geïrriteerd door het lokaal.
De eerste les na de proefwerkweek bespreek ik de opgaven in de klas. En och arme leerlingen. Want hoe gaat dat? Ze maken de opgaven in de hogedrukpan van de proefwerkweek. Ze doen er hun best op (best wel) maar ze voelen natuurlijk wel dat ze geen tien gescoord hebben. Twijfel knaagt: zou ’t wel voldoende zijn?
Vervolgens gaan ze zichzelf moed inspreken. ‘Het is vast wel een voldoende, want die eerste vraag die heb ik goed, dat weet ik zeker. De tweede niet, maar die zal wel niet zo zwaar tellen. En de derde, nou, misschien krijg ik toch wel wat punten voor dat antwoord, het was wel niet helemaal goed maar die vraag was ook niet zo duidelijk en in mijn aantekeningen stond...’
In de loop van de week verschuift het beeld van hun prestaties in de richting van: tamelijk rooskleurig. Daar gaat dan nog een weekeinde overheen waarin ze hun ouders overtuigen dat ze toch echt wel iets extra’s verdiend hebben, na zo’n proefwerkweek die ze best wel goed gemaakt hebben... en dan krijgen ze de punten terug.
De naakte waarheid staart hen in het gezicht waar de hele klas bij is. Dat is te veel, die klap is te hard. Daartegen nemen ze hun ego in bescherming. Schelden dus. Omdat ze mij niet rechtuit uit durven schelden (dat moet ik vooral zo houden), gaan ze tekeer tegen de zaak in het algemeen:
“Wè is dè na vur onzin?”
“Wenne flauwekul!”
“Wèn gesèk zeg.”
“Un nááivak, dè ist.”
Als de ergste stoom eraf is komen ze naar me toe. Nog steeds zo geëmotioneerd dat ze Tilburgs praten: “Eh, meneer, hier hè, waorum is dè nie goed?”
Ik ga daar dan niet meteen op in. Laat ze maar stoom afblazen. Ik blijf vriendelijk kijken en zeg dat ik het vraag voor vraag zal behandelen als ze allemaal weer op hun plaats zitten. En jawel, terug in de banken vergelijken ze hun enormiteiten met de antwoorden elders in de klas. En als ze dan zien dat anderen wel goede antwoorden en goede punten hebben voor dat seikproefwerk van dat naaivak, dan is de strijd wel gestreden.
Vervelend zijn alleen die leerlingen die om tienden van punten blijven zeuren, die van een viereneenhalf een vierkommazes willen maken door te dreigen en te jammeren. B2b zet die klanten op hun nummer:
“Hé, Van Bavel, moette oe punten wir bij elkaar jànken?”, klinkt het geïrriteerd door het lokaal.
zaterdag 22 januari 2011
7. Daar gaat zij.... (met dank aan Clouseau)
Onze samenleving is inmiddels behoorlijk gemengd, dacht ik zo. Zijn er nog gebieden, aspecten, sectoren of desnoods maar hoekjes van de maatschappij te noemen die gesegregeerd zijn? Waar jongens en meisjes / mannen en vrouwen ver van elkaar worden gehouden?
Zo veel jaar na de seksuele revolutie zou je toch denken dat we normaal met elkaar om kunnen gaan. Zo veel jaar na de officiële gelijkstelling van man en vrouw zou je verwachten dat mogelijkerwijs niet alle gedachten, maar in elk geval wél alle blikken in zakelijke en schoolse situaties geheel boven de gordel gericht worden. Die jongens van mij (jawel, ik heb het over de MTS in Tilburg in de jaren 90), die hebben toch hun hele leven op gemengde scholen gezeten? Van peuterspeelzaal via kleuterschool en basisschool tot de mavo en het VBO, overal waren toch meisjes aanwezig? In min of meer gelijke mate? En op al die scholen zijn toch zowel meneren als mevrouwen te werk gesteld?
Nou dan, wat zeur je nou? Waar gaat dit eigenlijk over?
Tja, sommige collega's hebben regelmatig stagiaires, van die frisse, opgewekte types die het onderwijs in willen. Begin november kwam er weer eentje binnenlopen, maar nu was het er één die er (opvallend) goed uitzag. En wat gebeurde? Complete opstoppingen in de gang waren het gevolg. Ik moest de jongens de eerste dagen van de gang af slépen, zo moeilijk viel het hun afscheid te nemen van deze ogentroost. Gefascineerd stonden ze in de tijd tussen de lessen, vóór ze bij mij naar binnen gingen, door de gangramen het lokaal aan de overkant in te gapen. Open monden. Weerloze blikken. Het duurde vijf minuten van mijn les voor iedereen rustig zat en erover uitgezeurd was. En toen ze een keer tijdens lestijd over de gang liep, stond mijn hele klas op de banken.
Af en toe droomde er nog wel eens eentje weg tijens de les. Zuchtend kwam ie weer tot zichzelf, als ik er om vroeg.
Tja, denkt u nu. Ach, pubers. Die zijn niet wijzer. En daar kunnen ze ook niks aan doen, want: hormonen. En: bushokjes. Die hele jeugdcultuur is nu eenmaal vergeven van seks. Met de jaren gaat dat wel over.
Oh ja, dacht u dat?
Dan hebt u de gesprekken in de docentenkamer niet gehoord.
Zo veel jaar na de seksuele revolutie zou je toch denken dat we normaal met elkaar om kunnen gaan. Zo veel jaar na de officiële gelijkstelling van man en vrouw zou je verwachten dat mogelijkerwijs niet alle gedachten, maar in elk geval wél alle blikken in zakelijke en schoolse situaties geheel boven de gordel gericht worden. Die jongens van mij (jawel, ik heb het over de MTS in Tilburg in de jaren 90), die hebben toch hun hele leven op gemengde scholen gezeten? Van peuterspeelzaal via kleuterschool en basisschool tot de mavo en het VBO, overal waren toch meisjes aanwezig? In min of meer gelijke mate? En op al die scholen zijn toch zowel meneren als mevrouwen te werk gesteld?
Nou dan, wat zeur je nou? Waar gaat dit eigenlijk over?
Tja, sommige collega's hebben regelmatig stagiaires, van die frisse, opgewekte types die het onderwijs in willen. Begin november kwam er weer eentje binnenlopen, maar nu was het er één die er (opvallend) goed uitzag. En wat gebeurde? Complete opstoppingen in de gang waren het gevolg. Ik moest de jongens de eerste dagen van de gang af slépen, zo moeilijk viel het hun afscheid te nemen van deze ogentroost. Gefascineerd stonden ze in de tijd tussen de lessen, vóór ze bij mij naar binnen gingen, door de gangramen het lokaal aan de overkant in te gapen. Open monden. Weerloze blikken. Het duurde vijf minuten van mijn les voor iedereen rustig zat en erover uitgezeurd was. En toen ze een keer tijdens lestijd over de gang liep, stond mijn hele klas op de banken.
Af en toe droomde er nog wel eens eentje weg tijens de les. Zuchtend kwam ie weer tot zichzelf, als ik er om vroeg.
Tja, denkt u nu. Ach, pubers. Die zijn niet wijzer. En daar kunnen ze ook niks aan doen, want: hormonen. En: bushokjes. Die hele jeugdcultuur is nu eenmaal vergeven van seks. Met de jaren gaat dat wel over.
Oh ja, dacht u dat?
Dan hebt u de gesprekken in de docentenkamer niet gehoord.
zaterdag 15 januari 2011
6. Jacqueline bezighouden
Op maandagavond komen de Eerste Monteurs naar school. Of liever: ze zijn nog monteur, maar ze willen Eerste Monteur worden. Dat krijgen ze beter werk en verdienen ze meer. En dus komen ze twee avonden per week naar school voor vaktheorie en voor Maatschappelijke en Culturele Vorming. Van vaktheorie weet ik niets af, maar maatschappelijk en cultureel vormen, dat kan ik. Denkt de schoolleiding. De monteurs denken hier genuanceerder over.
’s Winters is het best zwaar. Om 6 uur op, om 7 uur naar je werk, de hele dag in koude ruwbouw rondlopen, door kruipruimten kruipen, op trappen klimmen, over steigers klauteren, kabelgoten hangen, kabels trekken, buizen bevestigen. Om 6 uur thuis. Om kwart voor zeven op school en dan drie uur in een warm lokaal zitten luisteren.
Af en toe sukkelt er dus eentje in slaap – ik kan me daar iets bij voorstellen. Maar het zijn leuke lessen, vind ik zelf. En je leert iets over een heel ander soort leven dan onze comfortabele betrekkingen waarin sprake is van sabbatsjaren en roostervrije dagdelen.
Zo had een baas een klus in Guernsey, kanaaleiland. Maar hij zat er een beetje mee: hoe kreeg hij de monteurs zover dat ze enkele weken in het buitenland gingen werken. Voor de kosten was het veruit het gunstigst als hij het in één keer kon afwerken, maar meer dan 3 weken van huis, dat is lang.
Hij stelde voor: 5 dagen achter elkaar 10 uur werken, dan 2 dagen vrij. Maar wel daar blijven.
Flauwekul, vonden de monteurs. 2 dagen vrij? Zonde van de tijd. 1 dag uitrusten is meer dan genoeg. Dus: 6 dagen achter elkaar werken, 10 uur per dag. Dan was de klus in krap 3 weken te doen. Op zaterdag terug.
Okay, zo doen we het. En dan krijgen jullie wat mij betreft een week vakantie.
Een week vakantie? Waar was dat nou weer voor nodig? Gewoon, zaterdagavond terug, zondag vrij en maandagmorgen weer aan het werk.
“Waarom zijn jullie zo fanatiek?” vroeg ik aan Tom, een forse, serieuze knaap. .
“Nou, dat zit zo. We zijn allemaal halverwege de 20 en we hebben verkering (“Oh, met elkaar zeker”, werpt de rest van de klas ertussen), en we willen gaan trouwen dus we kunnen het geld goed gebruiken. Dus we willen wel uren maken. Maar die week vakantie, dat doe ik wel.”
“Ja, mooi, even rustig aan”, begrijp ik hem verkeerd.
“Rustig aan? Niks rustig aan. Ik heb nog een zwarte klus liggen, dat kan ik mooi in die week afwerken, dat betaalt hartstikke goed.”
In de klas informeren de andere jongens pesterig bij Tom wat zijn verloofde daar van vindt, dat hij drie weken weg is. En of zij haar een beetje bezig zullen houden, die weken. Dat willen ze wel doen hoor.
“Jullie?”, grijnst Tom, twee meter lang en één meter breed. “Jacqueline bezig houden? Die lacht zich een breuk als ze jullie aan ziet komen. Die is mij gewend.”
’s Winters is het best zwaar. Om 6 uur op, om 7 uur naar je werk, de hele dag in koude ruwbouw rondlopen, door kruipruimten kruipen, op trappen klimmen, over steigers klauteren, kabelgoten hangen, kabels trekken, buizen bevestigen. Om 6 uur thuis. Om kwart voor zeven op school en dan drie uur in een warm lokaal zitten luisteren.
Af en toe sukkelt er dus eentje in slaap – ik kan me daar iets bij voorstellen. Maar het zijn leuke lessen, vind ik zelf. En je leert iets over een heel ander soort leven dan onze comfortabele betrekkingen waarin sprake is van sabbatsjaren en roostervrije dagdelen.
Zo had een baas een klus in Guernsey, kanaaleiland. Maar hij zat er een beetje mee: hoe kreeg hij de monteurs zover dat ze enkele weken in het buitenland gingen werken. Voor de kosten was het veruit het gunstigst als hij het in één keer kon afwerken, maar meer dan 3 weken van huis, dat is lang.
Hij stelde voor: 5 dagen achter elkaar 10 uur werken, dan 2 dagen vrij. Maar wel daar blijven.
Flauwekul, vonden de monteurs. 2 dagen vrij? Zonde van de tijd. 1 dag uitrusten is meer dan genoeg. Dus: 6 dagen achter elkaar werken, 10 uur per dag. Dan was de klus in krap 3 weken te doen. Op zaterdag terug.
Okay, zo doen we het. En dan krijgen jullie wat mij betreft een week vakantie.
Een week vakantie? Waar was dat nou weer voor nodig? Gewoon, zaterdagavond terug, zondag vrij en maandagmorgen weer aan het werk.
“Waarom zijn jullie zo fanatiek?” vroeg ik aan Tom, een forse, serieuze knaap. .
“Nou, dat zit zo. We zijn allemaal halverwege de 20 en we hebben verkering (“Oh, met elkaar zeker”, werpt de rest van de klas ertussen), en we willen gaan trouwen dus we kunnen het geld goed gebruiken. Dus we willen wel uren maken. Maar die week vakantie, dat doe ik wel.”
“Ja, mooi, even rustig aan”, begrijp ik hem verkeerd.
“Rustig aan? Niks rustig aan. Ik heb nog een zwarte klus liggen, dat kan ik mooi in die week afwerken, dat betaalt hartstikke goed.”
In de klas informeren de andere jongens pesterig bij Tom wat zijn verloofde daar van vindt, dat hij drie weken weg is. En of zij haar een beetje bezig zullen houden, die weken. Dat willen ze wel doen hoor.
“Jullie?”, grijnst Tom, twee meter lang en één meter breed. “Jacqueline bezig houden? Die lacht zich een breuk als ze jullie aan ziet komen. Die is mij gewend.”
Abonneren op:
Posts (Atom)